Nog een keer Bonhoeffer. In welke context is het zinvol om over God te denken? Waar moet je hem althans zoeken? Een citaat uit een essay van de Australische politicus Kevin Rudd: ‘In his Letters from Prison, Bonhoeffer wrote, reflecting in part on the deportation of the Jews, that "We have for once learned to see the great events of world history from below, from the perspective of the outcast, the suspects, the maltreated, the powerless, the reviled - in short, from the perspective of those who suffer.”.’
Zij die lijden, dat is de blikrichting waarin je God kunt ontwaren. Niet voor niets is het kruis al vele eeuwen het vignet, het logo van het christendom. Het kruis is het snijpunt van het verzet tegen en de overgave aan wat er gebeurt. Ook het symbool van het dragen, niet van het aanvaarden.
We zijn soms zo gewend om over de wereld en het leven (oeps, wat een abstracties!) na te denken (oeps, alweer!) vanuit het God’s eye-perspectief (wow, dit is dé abstractie!). Als je de bovenstaande zin van Bonhoeffer leest, dan voel je bijna aan je lijf de correctie: ‘history from below, from the perspective of the outcast, the suspects, the maltreated, the powerless, the reviled - in short, from the perspective of those who suffer…’. Dát is je plek, dát ben je zelf, zó is jouw leven en dat van de anderen.
En dat betekent dat je voor de taak staat om zelf te denken en uit te vinden waar het allemaal om gaat. En dat betekent dat je náást Jezus terechtkomt, dat je zijn ‘klus’, zijn ‘missie’ voor je kiezen krijgt. God is mens geworden, zegt advent, houdt in dat hij ‘naast’ je en ‘onder’ je staat. Maar niet meer ‘boven’. Nooit ‘boven’ geweest, trouwens.
Woensdag 28 november 2007 - 'Kruis...'
Dinsdag 27 november 2007 - 'Jij...'

Wens je zo super veel geluk. Het is een geluk dat je leeft. Dat je er bent. Dat we je zien en horen en dat je met ons praat. Dat jouw ogen en je hart ons aankijken. Jouw handen strekken zich uit naar ons. Dat ons leven het jouwe raakt. Blij met je zonder aanwijsbare reden. Zin in morgen ontstaat als we beginnen te praten. Vleugels.
Je lippen, die ik heb gekust,
je haren, donker en verward,
en dan je hart, je jonge hart,
waaraan 'k zo heerlijk heb gerust...
Ik denk: het heeft zo moeten zijn.
Soms is 't, alsof je bent gestorven.
Wie weet, hoe ver, in leed en pijn,
wij zullen hebben rondgezworven,
voordat wij weer tezamen zijn.
J. Presser
Maandag 26 november 2007 - Jan Foudraine: 'Bunkerbouwers...'
Een collage van een paar teksten over en van Jan Foudraine. Alleen maar lezen over 'De man die uit zijn hersens zakte' en 'Bunker- bouwers'. Van je hersenen zak je in je hart. En vanuit het hart naar louter Zijn en nog dieper. Zoals het in de Zen-traditie heet: van mind naar no-mind naar no no-mind.
Het boek ‘Bunkerbouwers’ gaat over praktijkvoorbeelden van cliënten die jarenlang bij Jan Foudraine in psychotherapie zijn (geweest). Geestelijk gehavend door hun opvoeding, vinden deze mensen stukje bij beetje weer de draad van het leven. En vooral het contact met zichzelf, hun gevoelens.
Dit proces wordt geïllustreerd door passages waarin de cliënt zelf aan het woord is. Het confronterende aan de verhalen is dat deze mensen geheel op zichzelf aangewezen leken in hun strijd om zich te handhaven tussen ouders die niet in staat waren liefde te geven, te communiceren of gewoonweg het bestaan van hun kind ontkenden. Ook de school of onderwijzers konden of wilden deze problemen niet onderkennen.
Door die communicatieve armoede vergleden deze mensen in een eigen wereld, een bunker, en leerden zich staande te houden door weinig gevoel door te laten. Totdat gevoelens niet meer onderdrukt kunnen worden en eruit moeten. De keuze is dan praten (eventueel therapie) en langzaam vrijkomen uit de 'bunker' of afglijden in depressie en zelfhaat. Overigens zijn de mensen die aan het woord komen in het boek heel herkenbaar, ze drukken in eigen woorden hun onvermogen uit om uit een bepaald innerlijk isolement te komen. Een isoloment dat blijkbaar is gebleven ondanks het feit dat ze zelf ouders zijn geworden en een leven hebben opgebouwd.
Foudraine wijst op het belang van de eigen verantwoordelijkheid die een mens heeft om 'heel' te worden. Om de zoektocht naar binnen aan te gaan, hoe confronterend dit ook kan zijn. De schrijver geeft tevens aan dat we voorbij kunnen gaan aan dat wat wij 'de persoonlijkheid' noemen, voorbij kunnen gaan aan onze identificaties. Dan kan er geproefd worden van de ware vrijheid in onszelf, de oneindige en ondefinieerbare ruimte die ieder mens in zich draagt. Hierbij refereert hij aan leraren die ons de weg wezen en wijzen; Jezus, Boeddha, Krishnamurti en anderen.
Therapie kan een stapje zijn in de richting van die zelfbevrijding, maar is niet het antwoord.
Dit antwoord ligt uiteindelijk in onszelf.
’De essentie van het menselijk lijden kan omschreven worden als “niet kunnen vergeten”. Interpersoonlijke psychotherapie haalt de mens uit het graf van het verleden. De uitspraak “Lazarus kom je graf uit” kan op zulke wijze geïnterpreteerd worden. De diepere betekenis van de bijbelse uitspraak raakt de kern van de religieuze, mystieke ervaring. Het graf is de bunker van het “ik-bewustzijn”, van het ego dat afgescheiden is van de ander. In verschillende stappen kan het zwaartepunt verlegd worden van “ik” naar Bewustzijn, naar Zelfrealisatie. Het leven kan veranderen van een nachtmerrie in een gewone droom, een heftig gekleurd verleden kan langzaam verbleken tot een vergeelde dia. Wat er op volgt is een ontwaken of Bevrijding, een leegte die een volheid is waarbij alle muren wegvallen. Er is geen object meer, geen subject, alleen maar Een-zijn van het paradijs, voor niemand.’ Aldus Foudraine.
Jan Foudraine verbindt diepzinnige filosofische gevolgen te verbinden aan zijn opvattingen over psychiatrie. Zijn conclusie m.b.t. leven en levensdoel is 'keer terug naar de onschuld en psychisch 'leg' staat van het kindzijn tot twee jaar'.
Alles daarna (aan)geleerd leidt tot schijnmenselijkheid en trauma's. Religieus gezien komt hij met zijn visie dicht bij boeddhistische en meditatieve, christelijke opvattingen, maar gaat nog verder door de bestemming van de mens (slechts?) te plaatsen in een eeuwige kosmische energiestroom, aldus Foudraine.
Zondag 25 november 2007 – Arvo Pärt: 'Kanon Pokajanen...'
Vanmorgen begon de dienst best wel een beetje bijzonder. We hadden een toch ook wel bijzondere voorganger: de zeer fijnbesnaarde, wijze predikant J. Veefkind. Hij doet of zegt nooit zomaar iets. Hij begon de dienst met een ongebruikelijk votum. ‘Recht uit de drukte en de moeite van het dagelijkse leven, uit de pijn en vreugde van alledag komen we hier bij elkaar. Met de bede in ons hart uit Psalm 62:
Mijn ziel is stil tot God mijn Heer,
van Hem verwacht ik altijd weer
mijn heil, - op Hem toch kan ik bouwen.
Ik wankel niet, want Hij staat vast:
mijn toevlucht, als het water wast,
mijn rots, mijn enige vertrouwen.
Voorwaar, Hij is mijn heil, mijn rots,
mijn naam rust in de schutse Gods.’
Als gevolg van de afgelopen weken sprak deze heenwijzing naar de stilte me aan. Jemig, wat had ik behoefte aan stilte, vooral aan déze stilte.
Vervolgens hielp de verkondiging van Joh. 3 ook in de goede richting. De Romeinse hoofdman die aan Jezus roept om hulp voor zijn kind. ‘Genees mijn kind, want hij sterft’. Ook dat sprak me heel erg aan, omdat ik die situatie ken en herken. Veefkind verwees naar het gedicht van Goethe ‘Der Erlkönig’. De ruiter die met zijn doodzieke kind door de vlakten raast naar hulp. Het kind ijlt van de koorts en de vader zegt: ‘Stil maar kind, je ziet geen elfen die je komen halen. Het zijn flarden mist, die je ziet.’ Zo voelt die Romeinse hoofdman zich. En dan Jezus die dat gevoel van de man herkent. Hij zegt maar één ding tegen de Romein: ‘Ga. Ga! Je kind is genezen’. En die Romein kan dan maar één ding: luisteren en gáán. Geld helpt niet, kracht helpt niet, niets helpt. Alleen dat woord: ‘Ga!”. Anders dan bij de Erlkönig leeft het kind van de Romein.
Na de dienst sprak ik Peter. Elkaar even vastgehouden. Ik zei tegen hem: ‘Apart he? ‘Mijn naam rust in de schutse Gods’.’ De grond verdween even onder zijn voeten. Ook bij Veefkind ook trouwens, toen hij het zei. Ik zag hem met zijn ogen zoeken in de gemeente naar houvast. Heb hem bemoedigend aangekeken: ‘Toe maar! Ga maar verder met wat je zegt. Je zit bij de kern. Dank je wel!’.’ Later zocht hij mijn ogen weer op. Heb hem even laten rusten bij me.
Toen ik thuiskwam heb ik direct de Kanon Pokajanen van Pärt geluisterd. In de Russisch-Orthodoxe kloosters wordt de Kanon Pokajanen ‘s morgens gezongen. Op de grens van nacht naar dag. Het is een dienst van boete en berouw, van heenkeer en terugkeer naar wie je echt bent. Daarmee begint de dag. Maar de overgang van nacht naar dag, daar gaat het om. Daar zit natuurlijk ook de symboliek in van Pasen, de opstanding. De onbegrijpelijke stap van dood naar leven. Het absolute wonder van het leven.
Overwinning en stilte. ‘Ik hou sotto voce van je’, ‘met ingehouden stem’, voorzichtig, zacht en heel teer. En altijd...
Donderdag 22 november 2007 – Rosenzweig: 'Wie is God? En wie ben jij...?'
Deze groteske vraag kwam ineens in ons midden. Wij roepen het uit, omdat we het niet weten. Maar we voelen het ook niet. God kun je niet voelen. We weten niet en we voelen ook niet. Hij is er dus niet. Zolang ik grijp, vang ik lucht. Is Hij dan de verrassing, die anders is dan mijn grijpen? Die niet gegrepen wil worden? Hij is in ieder geval al het andere dan ik. On-eindig? Al het andere dan ik.
Het beeld van God is verdwenen. Was Hij maar als de man van Michelangelo op de Sixtijnse Kapel. Dan kon je hem ook ruiken en zien. En voorzichtig vragen wat de bedoeling van alles was – is. Maar op die plek van mijn wensen is Hij niet. Ook niet in de aardbeving. Niet in de storm. Niet in het vuur. Wel in de zachte koelte.
Probeer me te heroriënteren. Opnieuw Rosenzweig. Komt ook doordat ik een serie artikelen moest lezen over ethiek. Sommige standpunten zijn voor mij onbereikbaar. Ik geloof gewoon niet dat schepping hetzelfde is als ‘kosmologie’ of als ‘heelal’ of zelfs ‘universum’. De schepping, dat zijn de dingen om me heen en in me die benoemd en besproken worden vanuit Gods liefde. Vanuit het gratuite ‘er zijn’. Als dat licht over de dingen valt, zie je pas wat er te zien is. Je kunt niet zeggen dat God bestaat of dat dit licht bestaat. Je kunt alleen zeggen: als je dit licht ziet, zie je de ‘achterzijde’ van God. Die zich natuurlijk nooit laat zien.
En daarover schrijft mijn oude, oude vriend Rosenzweig.
Zaterdag 17 november – 'Jij alleen...'
Wat is mijn alles dragende ervaring? De ervaring van de ene zin. De ervaring van vertrekken naar morgen, zonder dat de dimensie van terugkeer in me opkomt. De ervaring van méér dan zijn. De ervaring van weggaan uit mezelf, naar jou. De ervaring dat alles wat ik doe uitdrukking is van die beweging. De ervaring van het ontvangen worden in openheid. De ervaring dat jij jouw weg zonder terugkeer maakt. De ervaring dat de wegen, die zo geladen zijn, tot elkaar komen. De ervaring dat jouw spreken stamt uit die beweging en zo doelt op mij. De ervaring dat mijn spreken vleeswording is van mijn leven. De ervaring dat ik mij vind onder jouw ogen. De ervaring dat jij tot mij komt als een bezoek in de letterlijke betekenis van het woord. De ervaring dat jij je ontdoet van elke vorm. De ervaring dat jij spreekt – jij. De ervaring dat jij volledig niet-ik bent, dat jij volledig ‘vreemd’ en ‘nieuw’ bent. De ervaring dat ik niet meer kan terugkeren naar mezelf. De ervaring dat we beschikbaar zijn voor elkaar en voor niemand anders. De ervaring dat niemand mijn plaats tegenover jou kan innemen dan alleen ik. De ervaring van mijn vrijheid. De ervaring dat jij meer bent dan ik kan bedoelen. De ervaring dat jij on-eindig bent. De ervaring dat jij mijn verlangen wekt, duizendvoud. De ervaring dat ik geen tijd meer heb voor iemand anders dan jij. De ervaring dat ik voortga zonder te letten op mezelf. De ervaring van je gelaat. De ervaring dat denken niet meer helpt. De ervaring van leven. De ervaring van recht-door-zee moeten gaan. De ervaring dat geen enkele achterbakse terughoudendheid mij meer mag aankleven. De ervaring dat de beweging naar jou niet meer stopt. De ervaring dat ik ondubbelzinnig eerlijk en nederig ben tegenover jou. De ervaring van de ‘sens unique’. De ervaring van werken voor jou zonder beloning. De ervaring van jouw afwezigheid, die altijd een spoor voor mij achterlaat.
Vrijdag 16 november 2007 - John Nash: 'The reasons of love...'
Wat is de zin van de dingen? Toe maar - wat een vraag! Kun je aanwijzen wat de zin is van de dingen? De zin van de dingen is hun richting. De zin van een gebeurtenis is dat waar de ontwikkeling toe leidt. In de ontwikkeling, in de gang van de dingen ontwaar je de zin. De dingen groeien, ze groeien naar hun voltooiing. Dat is hun zin, denk ik weleens. En wat is dan de zin van een leven? Ik denk dat de zin van een leven bestaat in de innerlijke warmte die uit een leven spreekt. En ik denk dat het leven van een mens uiting is van verlangen en van liefde. Een leven dat niet gehoorzaamt aan zijn eigen verlangen, wordt niet tot een eenheid.
John Nash (1928) kreeg in 1994 de Nobelprijs voor Economie. Zijn leven stond in het teken van ‘the love of numbers’. Zijn toespraak bij de aanvaarding van de prijs begint hij met een uitleg van zijn passie voor getallen. Die hij eerst uitleefde in de wiskunde van de fysica, daarna van de metafysica, daarna van de wanen om tenslotte te beseffen dat zijn ‘love for...’ alleen betrekking had op Alicia, zijn vrouw.
Dit zijn de eerste zinnen van de toespraak: “I’ve always believed in numbers; and the equations and logics that lead to reason. But after a lifetime of such pursuits, I ask, “What truly is logic? Who decides reason?” My quest has taken me through the physical, the metaphysical, the delusional — and back. And I have made the most important discovery of my career, the most important discovery of my life: It is only in the mysterious equations of love that any logic or reasons can be found. I’m only here tonight because of you. You are the reason I am. You are all my reasons.”
In de film ‘A beautiful mind’ ontvouwt zich het leven van Nash, die een periode van schizofrenie heeft gekend. Vanaf het begin is duidelijk dat het leven van Nash een eenheid vormde. Hij leefde zijn ‘love for numbers’. Die ‘eenheid’ is erg belangrijk. Zijn liefde smeedde zijn doen en laten tot zijn verhaal, inclusief zijn ziekte. Hij wás zijn liefde. Zijn liefde was zijn ‘reason’. Je kon hem alleen maar begrijpen als je zijn liefde begreep.
Het is heel bijzonder om te ontdekken dat je liefde wordt tot je eenheid. Je hart verzet zich tegen marchanderen, omdat je slechts één eenheid kunt zijn. Het éne verlangen dat je leven stuurt, doet je tot een eenheid worden. En pas in de eenheid kom je tot overgave. Maar ook maakt je liefde en je overgave tot een ‘sens unique’, zoals Levinas het noemt, een unieke zin, een unieke richting. In het Frans is een ‘sens unique’ een weg van eenrichtingsverkeer. Je leven wordt een eenrichtingsweg, een weg die geen terugkeer kent. Je kunt op je liefde en op je hart niet terugkomen. Als je gaat waarheen je hart je brengt, wordt je leven een geschenk. En die eenheid wil je niet missen, voor geen goud. Je rede, je taal, je spraak, je uitingen – ze staan alle in dienst van die ene overgave.
Deze gedachte leidt onmiddellijk naar Psalm 86, 11: ‘Leer mij, HERE, uw weg, opdat ik in uw waarheid wandele; verenig mijn hart om uw naam te vrezen’. God is een ander woord voor de plek die altijd open blijft. In de buurt van God wordt alles open. Daar krijg je de richting naar de toekomst. Dat is ‘de weg’ die Hij je geeft: de weg van de eenheid en de openheid. Er is maar één overgave die echt goed voor je is en dat is de overgave aan de openheid, die hoort bij God.
Daarom ook is de enige weg de weg van het gebed. Alleen als je je hart verheft tot de openheid die bij God hoort, vind je kracht om je voet te zetten in een nieuwe richting. In de een-geworden richting, op de weg van de éne zin, de sens unique. Hij roept je hart tot de ander en dat is heel bijzonder om te vernemen. En die ander is er altijd maar één en die éne is definitief.
‘Zeven maal over de zeeën te gaan -
Zeven maal, om met zijn tweeën te staan’.