Donderdag 18 oktober 2007 - Luc Ferry: 'De mens is heilig...'

Luc Ferry (1951) is filosoof. Hij werkte als hoogleraar tot hij in 2002 het Franse kabinet in gehaald werd. Ferry was tot in 2004 minister van onderwijs. Tijdens zijn ministerschap bestreed hij leesachterstanden van leerlingen. In zijn publicaties bekritiseert hij de Franse Groenen en bestrijdt hij de erfenis van 'de geest van '68', de studentenrevolte uit dat jaar.

'Het enige heilige dat overgebleven is, is de mens'

Op vakantie in een land waar het al vroeg donker is, vroegen vrienden van de Franse filosoof Luc Ferry of hij een cursus filosofie voor ouders en kinderen wilde geven. Van die lessen maakte hij een succesvol boek, waarin hij uitlegt wat filosofie werkelijk is en wat we eraan kunnen hebben.
Lees het artikel

Bijna een kwart miljoen exemplaren verkocht Luc Ferry (56) alleen al in Frankrijk van ’Apprendre à vivre’ (Leren leven) dat nu in het Nederlands is verschenen als ’Beginnen met filosofie’. Die titel doet erg denken aan een schoolboek of overzichtswerk, maar dat heeft Ferry nou juist niet willen schrijven. Want filosofie heeft ’helemaal niets te maken’ met de definities die je daarin aantreft.

„Daar staat altijd in dat filosofie grondig of kritisch denken is, of iets in die geest”, vertelt Ferry op bezoek in Amsterdam. „Een uitstekende omschrijving van de journalistiek: dat is een prachtig beroep, maar filosofie gaat in essentie over een probleem waar we allemaal mee te maken hebben, de eindigheid van het leven. Filosoferen is een manier om op eigen kracht, zonder God maar met behulp van de rede, onze angst voor het onvermijdelijke te overwinnen en zo toegang te krijgen tot het goede leven, tot wijsheid. Ik bespreek de vaak meeslepende antwoorden die zijn gegeven op die vraag.”

Behalve de filosofie zijn er volgens Ferry nog twee andere methoden die ons uitnodigen iets met onze angsten te doen, het christendom en de psychoanalyse. Maar hij gelooft niet en vrienden die in analyse zijn geweest, hebben meestal ’na tien, twintig jaar op de divan’ nog steeds last van dezelfde fobieën. De filosofie biedt geen definitieve oplossing, maar rust, sereniteit, dat is wel haalbaar.

Ferry wil voortborduren op een oude traditie, zegt hij. „De Griekse filosofie bijvoorbeeld was niet alleen een intellectuele bezigheid, maar ook een praktische oefening. In de Atheense Stoa, filosofische scholen, werd leerlingen gevraagd een dode vis over de markt te slepen en te doen alsof het een hond was, waarop ze natuurlijk werden uitgejouwd. Het idee was dat je moest leren je af te wenden van sociale conventies en de blik van anderen om je te richten op het enige dat echt telt: de kosmos, de harmonieuze, rechtvaardige ordening van de wereld. In die kosmos moest je je natuurlijke plaats zien te vinden. Verlossing was alleen mogelijk door in de eeuwige wereld op te gaan, door een fragment van de eeuwigheid te worden.”

Toen het Griekse denken vanaf de tweede, derde eeuw werd overrompeld door het succes van het christendom, ging die praktische functie verloren. „Eigenlijk zei het christendom toen tegen filosofen: de vraag naar het heil, naar verlossing, die is van ons, van de theologen. De filosofie werd verbannen naar de scholastiek, naar de analyse van concepten. Dat is wat er in Frankrijk op school (filosofie is daar een verplicht vak, red.) en op de universiteit nog steeds gebeurt: docenten weten niet dat het onderwijs dat zij geven, de analyse van noties zoals bijvoorbeeld ruimte, tijd, waarheid, rechtvaardigheid, schoonheid, et cetera een erfenis is van de overwinning van het christendom op de Grieken.”

Franse scholieren moeten dus nadenken over wat goed is, wat rechtvaardig is, wat het kwaad is, wat er voor en wat er tegen de doodstraf pleit. „Maar als je tegen Spinoza had gezegd dat dit filosofie is, was hij van zijn stoel gevallen!”, roept Ferry uit. „Voor Spinoza was filosofie een manier om toegang te krijgen tot een ’derde kennissoort’, de ultieme kennis waarmee je de wijsheid, de zaligheid kon bereiken en je dus van je angsten te bevrijden.”

Geen enkele grote filosoof, of je nou Aristoteles, Kant, of Heidegger neemt, zou zich hebben beperkt tot het verhelderen van begrippen, gaat Ferry verder. Ook Nietzsche, die elke vorm van transcendentie, van een werkelijkheid buiten de waarneembare wereld afwees, heeft een theorie over verlossing. „Nietzsche spreekt van de ’onschuld van het worden’, het moment dat je leven ontdaan is van schuldgevoelens, nostalgie en hoop. Wijsheid is voor hem amor fati: de liefde voor het leven zoals het is, het heden, de liefde voor het lot.”

Als het er om gaat de angst voor de dood te temperen, overtreft niets het christendom. Op voorwaarde dat je gelooft: „Het christendom wint het van de Griekse filosofie, omdat het een veel grootsere belofte doet. Dat zie je in een boekje van Justinus, de eerste kerkvader, die keizer Marcus Aurelius, de laatste grote stoïcijnse filosoof, heeft laten onthoofden. De redenen die Justinus, een Griekse filosoof, geeft voor zijn bekering maken ons duidelijk hoe enorm de aantrekkingskracht van het nieuwe geloof geweest moet zijn. Volgens de stoïcijnen zijn we verlost van de angst die het einde ons inboezemt, als we een fragment van de eeuwigheid worden. Maar het is een blinde en anonieme soort verlossing, een overgang van een bewuste toestand naar een versmelting met de kosmos. Terwijl Christus het eeuwige leven belooft. Het eeuwige leven! We zullen onze geliefden na de dood weer zien, en dan niet in de vorm van een of andere vage geestverschijning, nee, lichaam en ziel zullen verrijzen, in een ’vervolmaakte staat’ nog wel.”

Ferry’s boek gaat van de Grieken naar het christendom en via het modernisme naar Nietzsche: de eerste postmodernist die afrekende met de belofte van humanisme en rationalisme ’dat we dankzij de vooruitgang van de Verlichting eindelijk vrijer en gelukkiger zouden worden’. Hij sluit af met een intrigerende eigen visie, die hij een ’post-Nietzscheaans humanisme’ noemt.

„Ik ga ervan uit dat God niet bestaat, maar behoud het idee dat er iets heiligs is in de mens, iets bovennatuurlijks, waarmee ik natuurlijk niet doel op paranormale verschijnselen. Het gaat om bovennatuurlijk in de letterlijke zin van het woord, er is transcendentie. Daarmee zeg ik eigenlijk hetzelfde als Sartre, Heidegger en veel andere atheïstische filosofen.”

„De gedachte is dat er niets heiligers, niets kostbaarders is dan de mens. Er zijn geen waarden meer die heilig genoeg worden geacht om voor te sterven. Niet zo lang geleden offerde men zich voor God, het vaderland of de revolutie: Er zijn godsdienstoorlogen geweest, nationalistische oorlogen, revolutionaire oorlogen. Dat is in Europa definitief voorbij, dat is iets radicaal nieuws.”

Het enige heilige dat niet alleen is overgebleven, maar zich volgens Ferry steeds sterker manifesteert, is de mens zelf. „Voor een ander mens zijn we in staat ons op te offeren als het moet, misschien ook voor iemand die we niet kennen: er zijn dus waarden die boven het materiële, het biologische uitstijgen, en in die zin dus transcendent zijn.”

De heiligheid waar Ferry het over heeft, komt niet uit de hemel maar heeft een menselijk gezicht, het is filosofisch gezegd een ’transcendentie in immanentie’.

Ferry keert zich tegen het onder zijn collega’s en wetenschappers dominante materialisme: het idee dat alle filosofische, religieuze, morele, juridische en politieke ideeën, geen absolute waarde of betekenis hebben, maar relatief zijn en voortvloeien uit de natuur (genen, neuronen) of de cultuur. ’Materialisten’ bekritiseren niet alleen de godsdienst, maar ook elke filosofie die ervan uitgaat dat de waarheid van ideeën transcendent is.

Voor ieder individu is het alsof de vier fundamentele waarden van het menselijk bestaan – waarheid, rechtvaardigheid, schoonheid en liefde –, ergens anders vandaan komen, zonder dat je hoeft te geloven in God of een andere metafysische fictie.

„Ik bedenk de waarheid van een mathematische stelling, de schoonheid van de zee of de rechtmatigheid van de mensenrechten niet zelf. Er zijn dus waarden die me overstijgen en toch nergens anders zichtbaar zijn dan binnen mijn eigen bewustzijn.” Die ervaring is onweerlegbaar, denkt Ferry, en is er geen enkel materialisme, dat in staat is alles te verklaren en alles tot een oorsprong te reduceren.

Ook de biologie niet. Een neurobioloog die zegt dat het vermogen tot medeleven in ons brein zit gekerft, ’moet dat maar eens uitleggen in Rwanda, Cambodja of Irak’, sneert Ferry. „Natuurlijk neigen mensen ernaar invoelend te zijn, maar dat is een uitgangssituatie, een mogelijkheid, dat ligt niet vast.”

In zijn antwoord op de vraag naar het goede leven, naar wijsheid, tenslotte, ziet Ferry af van het advies van stoïcijnen en boeddhisten je niet aan je dierbaren te hechten: dat lukt alleen in een klooster. Leren leven met de sterfelijkheid, van jezelf en van een ander, vraagt van ons dat we veel aan de dood denken. Niet uit een morbide fascinatie, maar juist omdat we moeten uitzoeken wat het beste is om te doen in het hier en nu. „We weten dat we niet eeuwig met de mensen van wie we houden kunnen spreken, dan moeten we daar ook naar leven.”

Inmiddels is Ferry alweer twee boeken – een over Kant en een over de politieke consequenties van zijn humanisme – verder. In het laatste boek gaat hij de jammerklachten over individualisering en ’atomisering’ van de westerse samenleving te lijf. „De afgelopen twintig jaar wordt het individualisme omschreven als een vorm van egoïsme, een product van het weerzinwekkende, moderne kapitalisme, dat is onzin. Het is juist een geweldige emancipatiebeweging ten opzichte van de gevangenissen die traditionele samenlevingsvormen vaak waren.”

„De privésfeer was bijvoorbeeld in Frankrijk tot ruwweg de onafhankelijkheidsoorlog in Algerije ondergeschikt aan de publieke sfeer. Maar sinds veertig jaar zijn we in Europa getuige van de omdraaiing van deze waarden, en daar hebben veel linkse en rechtse politici het moeilijk mee. De eersten zeggen bijvoorbeeld: mei 1968, dat was nog eens een tijd, toen hadden we nog waarden die we deelden, een gemeenschappelijke utopie. Dat was het maoïsme dat weliswaar moorddadig was, maar goed. Ondertussen beklaagt rechts zich over de teloorgang van de natie, van de autoriteit.”

Als Ferry ergens ’dolgelukkig’ van wordt, dan is het wel dat het nationalisme dood is en dat de moorddadige utopieën van ’68 zijn verdampt. „We zijn verplicht opnieuw na te denken over de zin van het leven en we moeten het collectieve opnieuw formuleren.” De wensen en noden van het individu zouden daarbij het uitgangspunt moeten zijn. „De meest fundamentele politieke vraag voor de komende tijd is welke wereld je na wil laten aan je kinderen. En in die zin is de milieubeweging de eerste manifestatie van die vernieuwing.”

Auteur: Paul-Kleis Jager

Luc Ferry: Beginnen met filosofie, met andere ogen kijken naar je leven. Arbeiderspers, 19,95 euro.

Woensdag 17 oktober 2007 – Robert Brandom: 'Learning to live...'

Van de Amerikaanse filosoof Robert Brandom (1950) las ik een zinnetje dat me tot nadenken bracht. ‘I think that we are better off learning to live without such a notion’. Er zijn dus woorden en ideeën die je gewoon maar beter niet kunt hebben. Want je kunt er eigenlijk niet goed mee leven, ze slurpen te veel van je energie. Ze zadelen je op met echte ‘unhelpful questions’, zoals Rorty het zei. Brandom is trouwens de kroonprins van Rorty.

Ideeën, beelden en gedachten, ervaringen, je laadt ze allemaal op je en in je. Voortdurend neem je dat allemaal met je mee. Je richt er je leven naar in. De zonde zit ‘em hierin, dat je met allerlei dingen je ware kern – de echte prioriteit – te zeer belast. Zijn er dingen die het waard zijn om de kern van je leven mee tot zwijgen te brengen? Ik denk het niet. Je eigen leven immers is toch een prioriteit, want anders kun je er ook niet zijn voor de ander?

De ander - jij - kán ik niet loslaten. De 'dingen' wel.

Een andere uitspraak van Brandom: ‘Ik versta onder filosofie de verantwoordelijkheid voor de bescherming en de verzorging van elke vorm van zelfbewustzijn’. (Gevonden in een Duitstalig artikel van Brandom: ‘Philosophie, wie ich sie verstehe, zeichnet sich durch Verantwortung für den Schutz und die Pflege jeder Art von Selbstbewusstsein aus.’) Dat is ook weer zo’n lekker pragmatische uitspraak. Pas op met wat je in je hoofd laat, met wat je toestaat om in je leven een rol te spelen.

De laatste tijd is ‘loslaten’ een woord dat ik regelmatig in de mond neem. Maar ‘loslaten’ is het ongedaan maken van een hechting. Hechten en loslaten staan tegenover elkaar. Ook loslaten kan dus een daad zijn, waardoor je datgene waarmee je niet kunt leven laat gaan, zodat je leven weer zijn eigen flow krijgt. Ergens vanuit de diepte komt het signaal dat iets niet goed gaat, dat ‘het’ in de verdrukking komt. Op goed geluk ga je dan na wat de echte energieverslinders zijn. En die ga je annuleren. Dan krijg je weer lucht.

Het is soms net alsof je denkt dat het leven mogelijk is op het niveau van de bijzaken. Je neemt te gauw genoegen met de dingen zoals ze zijn en zoals ze lopen. De afdaling naar de werkelijke kern stel je alsmaaar uit. Of je wijkt er aldoor voor uit. Je bent misschien ook bang dat je teveel loslaat, dat je niets meer overhoudt.

Maar de kern van je leven kun je nooit loslaten, de bijkomstige dingen wel. De kern is de grens. Je kunt dus gerust alles loslaten, álles. En als je dat gedaan hebt, dan kom je bijna vanzelf bij de kern. En tegen loslaten verzet je je, ik weet niet precies waarom. Omdat je niet tegen leegte kunt misschien. Of omdat je het te stil vindt. Maar ‘loslaten’ is dus een woord dat thuishoort op het veld van ‘boete’, van ‘metanoia’.

‘Sommige dingen wil ik helemaal niet weten’, zei iemand laatst tegen me. ‘Ja, maar moet je dan niet weten wat de laatste mode is bij Sting?’. ‘Hou op, dat wil ik helemaal niet weten!’. ‘Ja, maar dan ben je niet gekleed volgens de laatste mode!’. ‘Ik heb al genoeg andere dingen om me zorgen over te maken’.

‘Probably the most basic project is the elaboration of a notion of rationality that centers on categories of expression: making explicit in a form that can be thought and said what otherwise remains implicit, in what simply is or is done.’

Dinsdag 16 oktober 2007 – 'Wat dóe je...?'

Doen. Wat je doet, is er, bestaat echt. De wolkenloze, blauwe hemel van je echtheid en je vrijheid – dat is je openheid. Je hoeft nooit op zoek te gaan naar je echtheid, naar je zuiverheid, naar je ‘zijn’. Altijd al was je je vrijheid, nooit is je vrijheid weg geweest. Misschien heb je er lange tijd niet in geleefd. Want vaak zijn je echtheid en je vrijheid bedolven onder belemmerende gebeurtenissen, die het besef van je vrijheid beschadigd hebben.

Zuivering, terugkeer, het staat elke dag op de agenda om de echtheid te vinden en te behouden. Alleen ‘zuivering’ kan je helpen om jezelf te hervinden. Niet alleen de echtheid, ook de vrijheid. Vrijheid wordt je deel als je hebt durven loslaten wat je belemmert om licht te worden.

In de openheid die je ten diepste en werkelijk bent, daarin past alleen wat je doet. Een helemaal vrij ‘doen’ bestaat bij de gratie van de echte openheid. Wat je doet krijgt waardigheid uit de openheid waarin je iets doet. Zolang je niet open en ‘leeg’ bent, zolang ben je niet echt vrij. Menswaardige vrijheid bestaat alleen in de ultieme openheid.

In openheid – vrijheid – vind je je ‘zijn’ en daarin je ‘doen’. Je hebt de ruimte en de gelegenheid om iets te doen. Je bent dan dus wat je doet. Je bent niet ‘af’ als je alleen maar denkt of voelt. ‘Kiezen’ is het moment waarop ‘zijn’ overgaat in ‘doen’. Dan neem je je daad op je. Alleen als je vrij bent, leef je in openheid. En pas als je ‘open’ bent en blijft, ben je vrij.

Maandag 15 oktober 2007 – Richard Rorty: 'Doen, zónder zekerheid...'

Praten helpt niet echt verder. Vroeger dacht ik dat psychologie gaat over ‘van binnen’, over ‘gevoel’ en dat soort dingen. Tot ik een inleiding van P.C. Kuiper las over psychanalyse. Nee, zei Kuiper, psychologie gaat niet over van binnen. Het gaat over ‘doen’. Als je een mens wilt begrijpen (technisch dan...!), dan moet je het verhaal weten rond wat hij dóet. Je bent dus wat je doet. Luister daarom niet naar wat iemand zégt. Tenzij je daardoor voelt wat hij doet. In de Bijbel is een woord - ‘Dabar’ – tegelijk en vooral een daad. Daden zeggen álles over wie je bent.

Woorden zeggen eigenlijk niet zoveel. Waarom niet? Omdat woorden geen betekenis hebben. Hè?! Nee, woorden hebben geen betekenis. Het is andersom: betekenissen zoeken naar woorden. Net als hoog water, dat een lek zoekt in een dijk. Het leven in je drijft je vooruit. En helemaal van binnen ben je verlangen. En het verlangen zoekt altijd woorden. Taal en verlangen... In wat iemand zegt moet je altijd proberen het verlangen te meten en te verstaan en te voelen.

In wat je doet wordt het verlangen dat je bent, vlees. Een daad is een uitkijkpost met vensters. En degene die ziet, dat is het verlangende ‘ik’. Een daad is een knoop in de draad van het leven. Niet het denken, maar het doen. Doen is incarnatie (P.C. Kuiper). Je doet eigenlijk maar één ding, je hele leven lang. Verlangen. Naar wat? Je weet het zelf niet eens. Meestal. Soms wel... In alles wat je doet, spreekt je verlangen. Ook in je woorden, maar het allermeest in wat je doet. Want wat je doet, legt een knoop in de draad van het leven. Als je niet iets doet, kan het altijd betwijfeld worden wat je bedoelt. Maar als je iets doet, dan is het ondubbelzinnig duidelijk wat je verlangt. De daad staat namelijk pal voor je. No doubt about it...

Daarom hou ik zo vreselijk van Rorty. Die brommerige, nonchalante Amerikaan die alweer lang dood is. Heb vandaag weer iets gelezen van hem. Doe ik altijd als ik het moeilijk heb met iets. ‘Don’t provide refinements of social theory, but sensitize us to the suffering of others, and refine, deepen and expand our ability to identify with others, to think of others as like ourselves in morally relevant ways.’ Dat is een van de kernen van zijn pragmatisme. Pragmatisme ‘is a philosophical therapy. It helps you stop asking the unhelpful questions’.
En hij houdt ook van Freud. ‘Freud helps us to treat chance (contingency if you will) as worthy of determining our fate’. Wat je doet, is zuiver toeval. De dingen hebben geen enkele reden. Ze zijn domweg, zoals ze zijn. Wees dus maar ironisch: je kunt alles relativeren en doe dat dan ook maar. Maar: wees in alles solidair met de ander, als je kunt. Dat is Rorty ten voeten uit.

Liefde is dus iets wat je doet. Niet iets waar je eindeloos over zevert. Ik heb geleerd dat de degene die niets zegt, maar zich alleen maar geeft en toch behoudt, waarlijk liefheeft. Al het andere leidt tot ‘unhelpful questions’.

'The less certainty we have, the better it is...' zegt hij hier. 'You'll have to have the courage to act without certainty.'

Zondag 14 oktober 2007 – Doris Lessing: '...as if life itself was being withheld...'

Ik had vandaag verder willen schrijven over Tanabe Hajime en ‘repentance’ en zo. Maar ik doe het niet. Want: Doris Lessing heeft de Nobelprijs voor literatuur gekregen. En dat is heel mooi. Daarmee komt ze weer voor het voetlicht en daar hoort ze. Drie titels van haar horen tot mijn favo’s: ‘Under my skin’ (1994), ‘Love, again’ (1996) en ‘Prisons we choose to live inside’ (1987).

Waarom heb ik een zwak voor Lessing? Omdat ze een volwassen en volgroeide gevoeligheid heeft, die gevoed wordt door heel veel emotionele energie. Daarmee komt ze voor mij dicht bij het ideaal van wijsheid. Waar we allemaal naar zouden mogen streven. Groeien, voelen, emotie, kracht en wijsheid – allemaal op een rij. Hmmm, heerlijk.

Haar autobiografie heet ‘Under my skin’ en heeft twee delen. De titel van het boek komt herhaaldelijk terug in het boek en speelt de hoofdrol. Ze schrijft: 'I was born with skins too few. Or they were scrubbed off me by robust and efficient hands.' Zo omschrijft iemand die gevoelig is zichzelf. Lessing heeft niet anders gedaan dan 'voelend' leven. En wat gebeurt er als je zo gevoelig bent? Je wordt vanzelf compromisloos. (Dat heb jij ook, he?). Op geen enkel wezenlijk punt kun je jezelf verloochenen, want altijd staat je gevoel dat tegen. (Als je niet leert om met je gevoel te leven, gaat het dus verkeerd met je.) En dus breek je alle regels. Er komt een voortdurend gevecht met mensen om je heen, opvoeders en omgeving. Want áltijd mengt je gevoel zich in alles. Je kijkt helder en hard tegen de wereld aan. (Heb jij ook, he?). En toch laat je je zachtheid zien, een lekker gevoel voor humor en zelfs compassie voor menselijk falen en lijden. (...). Doris was niet geliefd door haar moeder, voor haar vader voelde ze grote afstand.

Ze kan daarom ook schrijven: 'If you are in this or that type of situation, you will find yourself; if you are not careful, behaving like a brute and a savage if you are ordered to do it. Watch out for these situations. You must be on your guard against your own most primitive reactions and instincts.' (p. 58 van Prisons). Jezelf vinden en je gevoel intact laten – daar komt het dan glashelder op aan. (...!)

En dan natuurlijk 'Love, again'. Een bijzondere en wijze roman. Een vrouw valt op latere leeftijd in de liefde – zo kun je het echt wel zeggen. En ze laat zich vallen. En terwijl ze valt 'meet' ze haar leven op en door. Wat heeft op welke momenten haar leven vooruit gedreven, welke emoties? En waar was de liefde? Wat is überhaupt de liefde? Machtig thema, denk maar even terug aan de mythe van Eroos en Psyche, die een onverwoestbare waarheid te zien geeft. Het leven en vallen in de liefde schept ons leven. De eerste brief van Johannes stemt er luidkeels mee in. Er is alweer geen verschil tussen de literatuur en de bijbel.

Hier is een stukje uit het boek: 'She (de hoofdpersoon) was dissolved in longing. She could not remember ever feeling the rage of want that possessed her now. Surely never in her times of being in love had she felt this absolute, this peremptory (beslissende, allesbeheersende) need, an emptiness that hollowed out her body, as if life itself was being withheld from her.' Raak, he? (Dit zie je ook in 'Lord of the Rings' als Aragorn sneuvelt en als Gimli dat vertelt aan Eowyn: de verbijstering op dat gezicht...).

Lessing schrijft daarom dus een anatomie van de liefde, ze inventariseert alle vormen van liefde die ze kent: jonge liefde, oude liefde, lust, platonisch-telefonisch, liefde als teistering en liefde als verweer tegen de sterfelijkheid en wanhoop. Ze komt langszij bij Octavio Paz.

En bij Paulus.

Zaterdag 13 oktober 2007 - Voor jou

Vandaag was een rotdag voor je. Het heeft opnieuw toegeslagen. Daarom denk ik nu aan je. Pijn en verwarring. Woede, blinde woede. Haat. Verwarring. Vragen en vertwijfeld wachten op jezelf. In de storm buldert de vraag: Wie ben ik? Je dacht dat je sterk bent. En dat ben je ook. Het heeft je geschokt. Je vertrouwen is geschaad. Je kunt niet anders dan op scherp staan en grijpen naar houvast - dat er niet is. Vluchten in vergeten. Dat was tot voor kort je manier. Maar je hebt besloten niet meer te vergeten. En vandaag kwam het weer binnen, her-in-nering. Je kunt niet meer vergeten. Je kunt ook niet meer liegen tegen jezelf.

Je zegt tegen me dat je niet kunt bidden. Maar je doet niet anders. Je bént een gebed. De woorden en de gevoelens komen uit de diepte. In de drassige bodem liggen je wortels. En ik wil je ‘amen’ zijn. Wil je echte schoonheid zien. Lelie. Bloei tóch maar...

Een lied tot God de arend

(naar Deuteronomium 32,11)

Ik zoek U in den blinde
en tast de hemel af.
De lucht blijft leeg. Ik wacht
totdat jij mij zult vinden
in dit verlaten land.

Draag mij op uw vleugels
de vrijheid tegemoet.

Ik zie U in de verte.
Gij komt steeds naderbij,
machtige majesteit.
Uw schaduw overdekt me
met troost en tederheid.

Draag mij op uw vleugels
de vrijheid tegemoet.

Gij, verre en nabije,
ik voel uw zachte bries
als Gij mij zoekt en ziet.
Gij aan de hemel, wijs me
uw hoopvol nieuw verschiet.

Draag mij op uw vleugels
de vrijheid tegemoet.

Paul Begheyn
voor Willem Vogel op zijn 75e verjaardag

Vrijdag 12 oktober 2007 – Protagoras: 'Alle dingen...'

‘De mens is de maat van alle dingen’. Die uitspraak deed de Griekse wijsgeer Protagoras (490 – 411 vC) van Abdera in Thrakië. Maar dat is slechts de halve uitspraak. De hele: ‘De mens is de maat van alle dingen. Van de dingen die zijn, dat zij zijn. En van de dingen die niet zijn, dat zij niet zijn’. In de geschiedenis van het denken staat deze uitspraak te boek als de ‘Homo mensura’ stelling.
Protagoras was een Griek en sprak dus Grieks. Voor het woord ‘maat’ gebruikte hij het Griekse woord ‘metron’. En dat woord betekent twee dingen: a. het voorwerp waarmee je meet; en b. de uitkomst van dat meten. Toegepast op Protagoras levert dat een nadenkertje op. Alleen jij en ik – als mensen – kunnen vertellen wat ‘zijn’ is. Een steen kan niet praten, de zon ook niet. Alleen jij kunt tegen mij zeggen – proberen te zeggen – wat het is om ‘jij’ te zijn. Jij en ik zijn de meters (ik bedoel: je hebt het werkwoord ‘eten’, degene die het doet is de ‘eter’; fietsen – fietser, en dus ook ‘meten’: ‘meter’) van het zijn. Dat hoort dus vooral bij betekenis a.
In zijn tijd beschouwde men Protagoras als een skepticus. Van veel dingen zei hij hardop dat hij er niks van kon zeggen, omdat hij er niets van wist. Een skepticus is iemand die verder kijkt. Dat betekent het Griekse woord ‘skeptomai’ letterlijk: verder kijken. Achter elke grens ligt een volgende grens, achter elke muur ligt een volgende muur, je bent er nooit, rusteloos op weg zijn. Protagoras joeg iedereen tegen zich in het harnas en moest dus vluchten uit Athene. Volgens de verhalen is hij omgekomen bij een schipbreuk, als echt canaille.
Ik vind de uitspraak van Protagoras eigenlijk best wel mooi. Doet ook denken aan Heidegger, en via hem aan die hele machtige stroom van postmoderne filosofie: De mens is de hoeder van het zijn. (Apart he, ben je bezig met een presocraticus, zit je ineens midden in pomo...) En daarmee komen we in de buurt van betekenis b. Wat bedoelt Heidegger met de mens als ‘Hüter des Seins’? (Tussendoor: dachten we vroeger als kind niet dat God in de hemel ‘de hoeder van het zijn’ was? Zo geloofde ik soms als kind, hoewel ik natuurlijk toen niets snapte van God. Later dacht ik het te snappen, nu kan en wil ik het ook niet meer snappen). Er komt trouwens achteraan: ‘Die Sprache ist das Haus des Seins’. Hoe meer ik erover mijmer, hoe meer ik denk dat Protagoras bedoelde wat Heidegger ‘de hoeder van het zijn’ noemt.

In zijn eigen onvergelijk machtige taal zegt Heidegger: „Der Mensch ist vielmehr vom Sein selbst in die Wahrheit geworfen, daß er, dergestalt ek-sistierend, die Wahrheit des Seiende hüte, damit im Lichte des Seins das Seiende als das Seiende, das es ist, erscheine. … Ob und wie es erscheint, …, entscheidet nicht der Mensch.“ Die Ek-sistenz des Menschen bedeutet nun das Stehen in der Lichtung des Seins. Lichtung meint hier, im Sinne von lichten, etwas leicht, offen machen. Heidegger sieht nun nicht mehr im Dasein den konstituierenden Ort der Wahrheit, sondern vertritt ein metaphysisches Seinsverständnis. In der „Seinsvergessenheit“ drückt sich für den Philosophen die wachsende Heimatlosigkeit des modernen Menschen aus. (Über den Humanismus, Brief an J. Beaufret, Paris; Bern (Francke) 1954, p. 74).

In de Bijbel – ik kan het niet laten – hoor ik wat anders over ‘alle dingen’. ‘Alle dingen – Ik maak ze nieuw...’ Openbaring 21, 5.