Ben je uiteindelijk eenzaam? Of tweezaam? Kom ik nog steeds niet uit. Moet je dat dan weten? Nee, maar de keuze komt soms spontaan in me op. Soms voel ik ‘eenzaam; dan weer ‘tweezaam’. Soms simultaan, dan weer met accent op de één of op de ander. Mijn oude vriend Ludwig Binswanger (1881 - 1966) kijkt dan altijd mee in mijn ziel. Ben heel lang geleden geraakt door zijn kritiek op Heidegger. Heidegger beschrijft met pathos de heroïek van een eenzaam bestaan. Binswanger aanvaardde dat standpunt, maar maakte zijn eigen versie van het inzicht. Zijn hoofdwerk heet ‘Grundformen und Erkenntnis menschlichen Daseins’. Grondvormen van menselijk leven zijn: Liebe, Existenz, Umgang. En de grondvormen van samenleven zijn: Liebe, Eros, Freundschaft. Het boek is dik en ik kan het hier niet even resumeren. Toen ik het boek voor het eerst gelezen had, troffen me prachtige inzichten van Binswanger. Maar het was typisch een boek waar ik niet bij kon. Op die hoogte (‘diepte’?) was ik niet.
Wat heeft dit verhaal nou te maken met de beginvraag? Binswanger kiest voor: ‘tweezaam’. Hij verzette baanbrekend werk na de Tweede Wereldoorlog door de weg te banen naar de fenomenologie van de Ander. Net als Levinas, Buber en anderen. Dus kan ik rondkijken in de wereld van het ‘tweezaam’-denken als ik Binswanger lees. Hij was trouwens een enthousiaste Freud-adept, maar ging toch zijn eigen weg. Net als Jung, maar dan anders. Beide heren kwamen niet los van Freud en gingen niettemin hun eigen weg.
Wat ik nooit geweten heb is dat Michel Foucault (1926 – 1984) iets met Binswanger had. Ook Foucault was telg uit een medische familie. En wat ik wel wist, maar me niet gerealiseerd had: ook Maurice Merleau-Ponty (1908 – 1961) ging bij Binswanger in de leer en later schreef hij zijn magnum opus over ‘le corps sujet’. En ook F.J.J. Buytendijk dankt inzichten aan Binswanger.
‘Guilty’. Aangrijpend mooi nummer van Randy Newman. Over een man die op een of andere manier weg is bij zijn (een?) vrouw. Ik krijg de indruk dat hij weggelopen is van haar. Maar hij kan niet zonder haar en verslaaft aan drank en cocaine.
Yes, baby, I been drinkin'
And I shouldn't come by I know
But I found myself in trouble
And I had nowhere else to go
Got some whisky from the barman
Got some cocaine from a friend
I just had to keep on movin'
Til I was back in your arms again
Guilty, baby I'm guilty
And I'll be guilty the rest of my life
How come I never do what I'm supposed to do
How come nothin' that I try to do ever turns out right?
You know, you know how it is with me baby
You know, I just can't stand myself
And it takes a whole lot of medicine
For me to pretend that I'm somebody else
Als ik deze tekst hoor en de muziek van Newman, de hele dramatiek voel van deze petite histoire, dan weet ik bijna zeker dat ik (en jij...!) uiteindelijk tweezaam ben. Vooral dat regeltje ‘I just had to keep on movin’ till I was back in your arms again’ geeft voor mij de doorslag.
En dan het vervolg van het lied: ‘How come...?’ en ‘You know, I just can’t stand myself’. Alle problematiek komt voort uit het feit dat ‘your arms’ er niet zijn of waren. Omdat het leven tweezaam ook begint. Sterker, er is geen begin dan een tweezaam leven. Nog voor je gemaakt en geboren bent is er het ‘égoïsme à deux’, let wel: ‘à deux’’, met twee, tweezaam. Als het ‘à deux’ niet gehaald wordt door de ouders, hoe zal het kind dan ooit weten van ‘your arms’? En dan ligt het eindeloze en rusteloze zoeken als valstrik klaar. Je zult altijd zoeken, nooit vinden, verlangen tot je hart ziek is, álles grijp je aan om te kunnen stoppen met zoeken, steeds weer grijp je naar de nooit bereikte vrucht, ‘drinking’, ‘cocaine’ en noem maar op. En het is altijd niet wat het zijn moet: ‘Guilty’. En dan die dieptrieste vraag: ‘How come...?’.
‘You know, you know how it is with me baby
You know, I just can't stand myself’.
Ik heb hier een gedicht van Jacob Presser, de Joodse historicus. Hij schrijft over een meisje dat hij bemind heeft, maar ook dat het meisje omgebracht is in een concentratiekamp. Ook daar kom je weer ‘de armen’ tegen, hoe hij daar bitter naar terugverlangt. Let even op de datum onder het gedicht...
Je lippen, die ik heb gekust,
Je haren, donker en verward,
En dan je hart, je jonge hart,
Waaraan ‘k zo heerlijk heb gerust…
Ik denk: het heeft zo moeten zijn.
Soms is ’t alsof je bent gestorven.
Wie weet, hoe ver, in leed en pijn,
Wij zullen hebben rondgezworven,
voordat wij weer tezamen zijn.
22 maart 1943.
Tweezaam. In maart 1943 werd zijn vrouw, Dé Appel, een oud-leerlinge die 14 jaar jonger was dan hij met wie hij in 1936 was gehuwd, opgepakt met een vals persoonsbewijs, als 'strafgeval' naar kamp Westerbork gezonden en vandaar vrijwel direct op transport gesteld naar het Poolse vernietigingskamp Sobibor. Presser, die verdomme zijn vrouw door een stom toeval verloor aan de nazi’s. Deze verschrikkelijke slag is de centrale ervaring van zijn leven geworden, verwoord in zijn gedichten, die gedeeltelijk reeds tijdens de oorlog illegaal werden gepubliceerd en direct daarna gebundeld in Orpheus en Ahasverus (1945). En over Dé gaat ook het geciteerde gedicht. Nee, het gedicht gaat over het hart van Dé (en dus het hart van Jaap...) en dus over de armen van Dé...
Presser, die negen jaar na de oorlog trouwde met jeugdvriendin Bertha Hartog, ook Joods, die ook haar gezin was kwijtgeraakt. Samen leefden ze met een leegte die ze nooit overwonnen hebben, ook samen niet. Presser heeft het alsmaar over Dé in zijn gedichten: in de regels, achter de regels, tussen de regels... Kijk maar naar de cyclus van Orpheus en Eurydice (je kent het verhaal van Eurydice die wegzonk in het dodenrijk, tot Orpheus haar kwam halen en dat ze daarna weer en definitief in de Hades neerdaalde?). Ogen, die het donker zagen... (zoals de psalm het noemt).
De onweerstaanbare macht van jouw ‘armen’, ‘en dan je hart, je jonge hart, waaraan ‘k zo heerlijk heb gerust...’.
‘I just had to keep on movin’ till I was back in your arms again...’ Die heimwee is het bewijs van ‘tweezaam’. Het feit dat Presser nooit meer over dat verlies is heengekomen bewijst de geldigheid van ‘tweezaam’.
Klaar.
Vrijdag 9 november 2007 – Ludwig Binswanger: 'Till I was back in your arms again...'
Donderdag 8 november 2007 - Bonhoeffer: 'Alsof God niet bestond...'
Ik word eentonig. Alweer Bonhoeffer. Gisteren heb ik trouwens drie oliebollen gekocht in de kraam van het winkel- centrum. Gisteren heb ik trouwens ook weer de afmeting van m’n eigen diepgang gevoeld: iets ingezien tot op de bodem, nee: gevóeld tot in het hart. Hoe minder je marchandeert met je gevoel of met je hart, hoe meer je één wordt, heb ik gemerkt. Verlos ons van de dubbelheid. Liever pijn dan dubbelheid. Draag de pijn, dat is eervol en waardig. Maar kruipen en jezelf versjacheren, dat is zó fout.
Bonhoeffer staat in de Lutherse traditie van de ‘theologia crucis’, de theologie waarin de posite en de gedachte van het kruis - van de werkelijkheid - in het middelpunt staat. Wat betekent dat? Is dat niet weer een vroom gereformeerd gepraat over ‘het kruis’, waar je ‘je zonden’ kwijtraakt. Jezus stierf voor mij, ik ben m’n zonde kwijt en Jezus zit ermee, holadiee, ik ben ‘vrij’? Nee, dat zou de infantiele verzoeningswereld zijn van een naief kind.
‘Theologia crucis’ tapt uit een heel ander vaatje. Hou je vast. De theologie van het kruis is hard. Hét uitgangspunt van de theologia crucis is dat je zegt wat er te zeggen is. Dat je niet heendraait om de feiten. Luther gebruikte daarvoor de uitdrukking: ‘theologia crucis dicit id quod res est’, de theoloog van het kruis zegt hoe de zaak er werkelijk voor staat. Als je over Luther schrijft, ga je al gauw Latijn praten! Excuus.
‘Quod res est’ betekent: zoals het is. Dat zeggen wij ook zo vaak tegen elkaar: ‘Es ist wie es ist’, ‘het is zoals het is’. Het is dus juist de liefde die alles wil zien en alles wil zeggen. Ik aarzel hier, omdat de liefde misschien niet alles ziet. Er is namelijk méér te zeggen. Maar goed, theologia crucis noemt de dingen bij de naam, is er wárs van om de dingen ‘mooier’ te maken dan ze 'zijn’. Ander belangrijk woord: ‘zijn’. Zoals het ís, nadruk op ‘is’.
En het ergste wat er is, dat is de pijn. Het moeilijkste te aanvaarden is de pijn. Die je niet kunt wegpoetsen, alleen maar uitstaan. Vreugde en geluk zijn met minder moeite te aanvaarden. Maar aan de pijn kun je zo intens lijden. De pijn dragen, dat is zuchten. En dat is niet erg. Pijn kún je (ver)dragen. ‘Why not be unhappy?’, vroeg Wittgenstein na de Tweede Wereldoorlog, toen hij oog in oog stond met de gapende eenzaamheid van zijn leven toen hij uit Guy’s Hospital in Londen weg moest, waar hij zo gelukkig gewerkt had.
Wat gaat er door jou heen als jij ziet dat een kind huilt? Echt huilt, als een kind lijdt? Wat gaat er door je heen als je je beste vriend pijn ziet hebben? Kun je dat aanzien zónder de drang tot handelen te voelen? Probeer je nou eens al het lijden en alle pijn in en om je heen voor ogen te krijgen – en bedenk je al die stemmen vanuit de diepte – al die mensen die roepen ‘de profundis’, ‘uit de diepte’ – en tot wie denk je dat al die stemmen gericht zijn? Aan wiens ‘adres’ zijn ze gericht? ‘Wie’ is degene die het meest gebukt gaat onder dat leed?
God. Gewoon: God. Ons verdriet, onze tranen, onze pijn zijn zijn kruis. Hij gaat eraan kapot dat ménsen zo lijden. Als ik lijd, lijdt God nog veel meer. Maar God lijdt dan ook tenminste, hij draagt het lijden en verzet zich er zo tegen. In de ruimte van het christendom, in het Rijk van God, wordt gezegd wat er geleden wordt. Er wordt ook gefeest, uitbundig zelfs. Maar de tranen kun je voor God niet verbergen. Dat is het beeld van het kruis. Theologia crucis. God, aan het kruis. ‘Der gekreuzigte Gott’ heette het boek van Jürgen Moltmann.
Hier zit het verschil met Zen. Zen zegt: ‘Mijd het lijden, maak het ongedaan!’ En dat is heel mooi en heel goed. Het christendom zegt: ‘Heb lief. Alleen zo kun je het lijden dragen, en zinvol dragen’. En vooral: hélp met dragen, draag ook het lijden van de ander, als je kunt. Neem geen genoegen met smoesjes, maar ga desnoods staan naast de ander of zelfs op de plááts van de ander.
Dat heeft Bonhoeffer gedaan, in navolging. Een paar uur voor de executie hield hij - op verzoek van de eveneens veroordeelde medegevangenen, waaronder niet-christenen! - een meditatie over Jes. 53, 5: ‘...door Zijn striemen is ons genezing geworden...’ (iemand anders heeft ook mijn pijn gedragen) en over 1 Petr. 1, 3: ‘...die ons naar Zijn grote barmhartigheid heeft doen wedergeboren worden, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden’. Probeer je eens vóór te stellen, hoe dat gegaan zou kunnen zijn. Kun je een situatie bedenken, waarin het lijden en de pijn nóg dominanter zijn. En dán, juist dán over God praten en tot Hem. Terwijl hij zó ontzettend gemist wordt. Kijk, dat is nou de christelijke vorm van lef hebben, ook van subliem pastoraat.
Dat is theologia crucis. Leven en lijden - en vreugde beleven - in de wereld, ‘etsi deus non daretur’, alsof God niet bestond.
Woensdag 7 november 2007 - Lau Tzu: 'Volg de innerlijke weg...'
Vandaag een verpletterende tekst van Lau Tzu. Zelden zo’n scherpe en rake tekst gezien. In de eerste strofe zie je een neergaande (of: opgaande?) lijn. De tweede strofe tekent het leefbare leven, maar niet het menselijke. De derde strofe tekent de tragische mens. En de vierde komt tenslotte bij de kern: de innerlijke wet. Dat is voor Lau Tzu ‘de weg van de hemel’. En dat is dan ook de weg van jou en mij...
‘Wiens geest niet meer in het ondoorgrondelijke wortelt
moet leven vanuit de oorspronkelijkheid van zijn hart;
wie die oorspronkelijkheid heeft verloren
moet leven vanuit de liefde;
wie niet meer vol liefde kan leven
moet tenminste rechtvaardig handelen;
wie zelfs dat niet meer kan
moet zich door zeden en gewoonten laten leiden.
Het afhankelijk worden van de heersende moraal
is echter de onderste trede der zedelijkheid
en duidt reeds op verval.
Wie dan nog meent
door zijn verstand te ontwikkelen
zijn hart te kunnen vervangen
is een dwaas.
Bedenk daarom:
de ware mens
volgt een innerlijke wet
en geen uiterlijk gebod,
hij drinkt uit de bron
en niet van het water
dat afvalstoffen met zich voert,
hij zoekt steeds de oorsprong’
Ik ga nu niet verder schrijven over deze tekst. Moet er eerst van bijkomen. Heb er dinsdag met Anneke over gepraat. Ze herkende het en ze vond het ook erg mooi. Ze wil hem gaan kalligraferen.
Dit dan nog: het ondoorgrondelijke, dat is dus eigenlijk de bron. Leven uit de liefde, wie kan het? Wie is het gegeven? De bodem van de liefde is de oorspronkelijkheid van je hart, van je reine hart, je gezuiverde hart. De dragende grond van je hart, dat is het ondoorgrondelijke. Welk woord zou Lau Tzu hier gebruiken? Ik weet het niet.
Maandag 5 november 2007 – Paul Virilio: 'Haast en leegte...'
Eindelijk is het me gelukt om Virilio te voelen. Ik had hem al wel gelezen, maar gisteren in de kerk heb ik hem gevoeld. De voorganger van de BGAmersfoort haalde in zijn toespraak het boek van Joep Schrijvers aan. En toen had ik ‘em ineens door, die Virilio (1932). Filosoof en wetenschapper. Voornaamste wapenfeit: ‘Dromologie’. Dromos is het griekse woord voor ‘snelheid’. Hij heeft dus gesnapt dat haast en snelheid het kenmerk is van de moderne cultuur, vooral van de mediacultuur. En wat doet dat gegeven met je? vraagt hij zich af. Vooral in de oorlog en in de economie is snelheid het doorslaggevende criterium. Wie het eerst komt, maalt het eerst. Wie het snelst iets weet of iets kan, die is de baas. En nog veel meer interessante analyses.
Lees het onderstaande artikel van hem maar eens. Het heet ‘Heaven’s Gate, het opgeven van het lichaam in de polaire inertie'. Vertaling uit: Frankfurter Rundschau, 1997. In de tekst noemt Virilio een mooi citaat van Kafka. Die had het namelijk ook allang gezien.
'Men heeft de indruk, dat de oorlogsjaren geen echte jaren zijn, maar dat ze horen bij een nachtmerrie die de werkelijkheid even buiten spel heeft gezet', schreef Agatha Christie eens. Vandaag de dag hebben we geen oorlogen meer nodig om de werkelijkheid uit te schakelen. Vliegtuigongelukken, treinontsporingen, explosies, smeltende kernreactoren, luchtvervuiling, strandende tankers, broeikaseffect, zure regen...... Minimata, Tsjernobil, Seveso, etc.
Tijdens de atomaire afschrikking zijn we min of meer aan deze nachtmerrie gewend geraakt en dankzij de live-televisie is het langzame afsterven van onze planeet Aarde net zo alledaags geworden als de ene exclusieve reportage na de andere. Toen de shock permanent geworden was, volstonden we ermee de catastrofen bij te houden en de ongelukkige slachtoffers van onze wetenschappelijke fouten en industriële ongevallen te tellen.
Maar dat was nog helemaal niets vergeleken bij de fase, die daar kort op volgde, die van de ontwerkelijking van de materiële wereld. Tot nu toe hebben we geweigerd om aandacht te schenken aan die ongevallen, die niet veroorzaakt worden door falen en dergelijke, maar juist door de topprestaties van de wetenschap en de industrie. Ik denk hierbij aan de triomfen, die in deze kritische tijd behaald zijn door de beeld- en communicatietechnieken. Er wordt wel eens beweerd, dat de psychologie geen problemen oplost, maar ze alleen maar verplaatst.
Hetzelfde zouden we kunnen zeggen van de technische en de industriële vooruitgang. Toen de Gutenberg-Galaxie zich er op voor liet staan dat zij iedereen toegang zou verschaffen tot het geschreven woord, kon men ook vaststellen, dat zij tegelijkertijd hele volkeren van doofstommen voortbracht. Omdat de industriële druktechnieken de gewoonte instelden om stilzwijgend en in afzondering te lezen, werkte ze eraan mee, dat de mensen hun relatie met de mondelinge overlevering verloren. Daartoe behoorde ook het luidkeels en meerstemmig lezen, wat een compensatie was voor de schaarste van de manuscripten.
Zo veroorzaakte de boekdrukkunst een verarming van de taal, niet alleen voor wat betreft de sociale vorm, de redekunst, maar ook voor wat betreft de ruimtelijke vorm, de benadrukkingen, de prosonie. Eerst ging de volkse dichtkunst eraan omdat ze geen lucht meer kreeg en om vervolgens te sterven in het academisch vertoog en de slogans van de reclame.
Als we verder gaan met het opsommen van wat we verliezen aan zintuiglijke indrukken onder invloed van de technologische en industriële verspillingen van ons waarnemingsvermogen, dan kunnen we naar willekeur opsommen wat we geofferd hebben aan het wonder van de elektriciteit, de fotografische momentopname, of het optisch bedrog van film. (..) Reeds de bioloog Jean Rostand meende dat de radio ons misschien niet dommer maakt, maar er wel toe bijdraagt, dat we de domheid beter kunnen horen... en dat voordat ze de oren verdoofde met de walkman en voordat de televisie, die 'intensivering van details en de kleur, dat beeldenbombardement, dat steeds meer het woord vervangt', (Roy Bradbury), blind maakte.
'De massa's hebben haast, ze lopen, ze doorlopen in looppas het tijdperk. Ze denken dat ze vooruit komen, maar ze maken een pas op de plaats en storten in de leegte', merkte Franz Kafka op. Op de kinetose, het verminderde zien in een snel rijdende auto, die ons tot een invalide maakt, die de omgeving alleen nog maar kan zien als een beeldscherm, volgde het lijden tengevolge van de live-overdrachtstechnieken. Binnenkort zullen zij, die afhankelijk zijn van het multimedianet, de Net-Junkies, Webaholics en alle andere soorten cyberpunks, lijden aan IAD (Internet Addiction Disorder). Hun herinnering wordt een opslagplaats die gevuld is met allerlei volledig ongeordende beelden van slechte kwaliteit en met een zinloze symboolwaarde.
Nu al worden de kleine kinderen, die van kindsbeen af bijna dwangmatig voor de beeldbuis hingen, getroffen door een hyperactiviteit die veroorzaakt wordt door een hersenstoring. Dit leidt ertoe, dat bij de kinderen steeds meer ongecoördineerde handelingen, concentratiestoornissen en ongecontroleerde motorische uitbarstingen optreden. In ieder geval leidt de vereenvoudigde toegang tot de elektronische snelweg tot een toename van het aantal reizigers, dat niet meer van zijn plaats komt. Ze zijn de verre nazaten van de stilzwijgende lezers, die aan allerhande communicatieve en reproductieve ziekten lijden zoals die het laatste paar honderd jaar aan het daglicht gekomen zijn.
Wat dit betreft behandelt de vooruitgang ons net zo als een justitiële patholoog-anatoom, die, voordat hij begint met de sectie, eerst op alle openingen van het lichaam de hand legt, voordat hij vervolgens rücksichtslos vormelijk met het lichaam om gaat. De vooruitgang bespookt de mensen niet alleen, maar hij dringt ook in hen in. In ieder van ons worden ettelijke visuele, maatschappelijke, psychomotorische, affectieve, intellectuele en seksuele bijwerkingen opgeslagen en gecomprimeerd, die ons met iedere technische vernieuwing en de daardoor veroorzaakte overvloed aan beschadigingen worden toegediend.
Zonder het ook maar te vermoeden zijn we de erfgenamen en nakomelingen geworden van een dubieuze familie, gevangenen van een erfelijk materiaal, dat niet meer doorgegeven wordt door middel van sperma, genen en bloed, maar door een technologische epidemie. Omdat er helaas geen kritiek meer is, zijn we onbewust overgestapt van de techniek op de technokultuur, en tenslotte zijn we afgegleden in de dogmatiek van een totalitaire technokult, waarbij we niet meer gevangen gehouden worden in een maatschappij met haar wetten en haar morele, sociale en culturele taboes, maar in dat wat de laatste eeuwen 'vooruitgang' van ons lichaam gemaakt hebben.
De zware oorlogsinvaliden, de slachtoffers van de auto- en arbeidsongevallen, van het terrorisme, al diegenen, die plotseling hun armen, of hun benen, hun vermogen om zich zelfstandig te bewegen, het licht in hun ogen, hun taak, of hun mannelijkheid verloren hebben, kennen zowel het vergeten als de illusorische herinnering. Enerzijds verdringen ze meer of minder bewust de onverdraaglijke beelden van het ongeval, dat hen zo abrupt beroofde van hun gezondheid. Anderzijds stellen ze zich in hun slaap, of halfslaap nieuwe beelden voor, die een compensatie vormen voor het verlies van het vermogen tot bewegen of de beschadiging van het een of andere zintuig.
In de wereld van de gewichtloosheid kan hij, die niet meer lopen kan, plotseling op zijn eigen benen staan en zich met een bovennatuurlijke snelheid voortbewegen. Degene, die geen armen meer heeft omvat mensen en dingen met volle kracht, en wie geen licht meer in de ogen heeft, ziet alsof het een lust is. Hetzelfde geldt voor onze technologische zelfverminking, voor de technologische reflex tot zelfverminking, waarvan wij de ware oorzaken en bijverschijnselen allang niet meer willen weten. Naarmate we beroofd worden van het gebruik van onze natuurlijke zintuigen en van ons waarnemingsvermogen, worden wij, net zoals de lichamelijk gehandicapten, in toenemende mate beheerst door een soort kosmische mateloosheid, door de fantastische zoektocht naar andere werelden, waar het natuurlijke lijf niet meer nodig is en waar de symbiose tussen mens en techniek werkelijkheid is geworden.
Een conglomeraat van scanner-ogen, nose spasms, verwarde tongen, technische kiemen, Cyber-oren, geslachten zonder afscheidingen en andere lichaamsloze organen, zoals we die beschreven vinden in de Cyber-literatuur, en die, zoals de Amerikaan Kroker zegt, 'Niets anders zijn als een grote oplichterij, die erop gericht is te versluieren, dat wij met zekerheid zullen sterven. Het is geen toeval dat de cybernetische eeuwigheid steeds weer een van de terugkerende thema's is van een literatuur, die zich afwendt van de fysieke wereld en waarin de kosmos letterlijk in de computer is opgeslagen.' In samenhang hiermee zou ik de woorden van Dr. Touzeau willen citeren, die zich heeft beziggehouden met extreme situaties: 'Door gedragswijzen, die overeenkomen met zelfmoordpogingen, zoals bv. anorexia, mutisme, drugsverslaving, maar ook gevaarlijk rijden met de auto of op de motorfiets, te hard rijden, rijden zonder helm e.d. gelooft de mens zijn eigen onmacht te kunnen overwinnen. Dergelijke pogingen om de grenzen te verleggen worden veroorzaakt door de klassieke waanvoorstelling, dat men zijn lot uiteindelijk toch in eigen hand kan nemen, d.w.z. gaat uit van de idée fixe van de absolute voltooiing.'
Sinds de affaire met de Australiër Bob Dent, die op 26 september 1996 als eerste mens zijn zelfmoord geprogrammeerd had op zijn computer, weten we met zekerheid, dat een simpele druk op de knop levensgevaarlijk kan zijn. De collectieve offerdood van de leden van de Cybersekte Heaven's Gate, die al meerdere weken voor de feitelijke daad op 25 maart was aangekondigd op Internet, heeft veel losgemaakt, maar geen medelijden opgewekt. De meeste woordvoerders in de media hebben het opgevat als een belediging. Men vraagt zich af hoe het mogelijk is, dat mensen die in technisch opzicht helemaal op de hoogte zijn en in veel gevallen ook nog eens gerekruteerd zijn op de campus van een hogeschool, zo lichtgelovig en infantiel kunnen zijn, dat enkelen van hen zich zelfs lieten castreren, d.w.z. afstand hadden gedaan van hun vermogen tot voortplanting. Lang na Edgar Allen Poe zei Witold Gombrowicz bezorgd: 'De onrijpheid is de meest werkzame conditie bij onze tijdgenoten, om hen te gebieden (...) Voor deze onrijpheid moeten we een cultuur verantwoordelijk stellen, die anorganisch geworden is.'
Wanneer we ons de bekende problemen voor de geest halen, die te maken hebben met onrijpheid, zoals intellectuele, affectieve, emotionele, seksuele, en psychomotorische onzekerheden, dan lijkt het wel, alsof de onrijpheid van mensen, die volharden in hun kindertijd in zeker opzicht het logisch gevolg en het definitieve lot is van onze technologische blunders. Wanneer kosmonauten, die rond de aarde zweven in hun wrak voor lopende camera's nog kunnen verklaren: 'The dream is alive!', waarom zouden de internauten zich dan ook niet voor kosmonauten kunnen houden? Waarom zouden ze niet als grote kinderen in een sprookje de ruimte tussen realiteit en voorstelling tot een snijvlak terugbrengen en overschrijden in de richting van een virtueel Paradijs? Waarom zouden ze niet geloven, dat het buitenaardse licht van de komeet Hale Bopp, de weg aangaf naar een nooduitgang, een uitstap uit de fysieke wereld? De 39 leden van de Cybersekte Heaven's Gate hebben in hun luxueuze onderkomen op de Rancho Santa Fé alleen maar hun verderfelijke sterfelijke omhullingen achtergelaten, lichamen, waarvan ze zich toch al lange tijd niet meer wisten te bedienen.
Zondag 4 november 2007 – Joep Schrijvers: 'Je haast en je hart...'
We razen voort door ons leven. We hebben zó’n haast, dat we alleen nog maar haasten. Door de haast ben je helemaal vergeten waar je hart zit en hoe het voelt en klinkt. Die boodschap kreeg ik na het nadenken over het boek ‘Het wilde vlees: de tomtomisering van de passionele mens’ door dr. Joep Schrijvers. Waarom moet je van iedereen gelukkig worden? Waarom walgen we steeds minder? Vele passiestrategieën zijn werkzaam om de emoties van mensen op te poken, te dempen of te kanaliseren. Iedereen staat onder controle en toezicht. De 'tomtomisering' is definitief doorgedrongen. Mensen moeten nuttig en doelgericht blijven.
Even tussendoor: morgen over Paul Virilio: „Heute akzeptiere ich nicht mehr, dass man sagt, Virilio ist ein Pessimist. Es gibt keine Pessimisten und Optimisten mehr. Es gibt Realisten und Lügner. Also wählt eure Seite. Ich bin absolut nicht pessimistisch. Ich mache meine Arbeit als Philosoph und nicht als 'Philofou'. Ich mache die Arbeit von jemandem, der einen großen Teil des 20. Jahrhunderts gelebt hat.“
De samenleving is een groot logistiek imperium geworden, dat zelfs haar invloed uitoefent op het privéleven, de dromen en vooral de hartstochten van mensen. Iedereen is gestoord bezig met het rondpompen van geld, goederen, informatie en en nog intiemere dingen – vergis je niet.
Hoe wij het systeem voeden en erdoor getemd worden. Hoe wij deel zijn van een alomvattend voortstuwingsproces. 'De tomtomisering van de passionele mens', verklaart de subtitel de drijvende kracht achter dit nieuwe totalitarisme. Tomtomisering. Ik heb het maar alvast mijn 'spellingchecker' aangeleerd.
'Het wilde vlees' beschrijft de inpassing van de menselijke hartstochten in de moderne, technologische samenleving. Waren die passies er in de grote anti-utopieën van de vorige eeuw ('We' van Zamyati, '1984' van Orwell, en 'Brave New World' van Huxley) er nog onder gekregen, de werkelijkheid van nu is erger. Ze zijn functioneel gemaakt. Functioneel aan technische systemen, aan organisaties, aan business!
Een embryo bijvoorbeeld is geen resultaat meer van kolkende, dierlijke driften maar van de hygiënische verplaatsing van eiwitconfiguraties van weefsel A naar weefsel B. De vordering van kleuters wordt via Cito 'gemonitord' en opgeslagen in 'e-dossiers'. Afwijkingen van de norm worden automatisch omgezet in 'handelingsplannen'. De kleuterjuf is 'procesbegeleider' geworden. De mens is van meet af aan opgenomen in de 'supply chains' van de industrie en de geïndustrialiseerde dienstverlening. En, zo voeg ik daar maar aan toe, hem wacht een lot als 'human resource' in een af andere schakel in de nieuwe logistieke orde waar op industriële wijze producten, diensten en samenlevingen worden voortgebracht en zelfs privé-levens worden 'gemanaged'. Het humanisme is gekaapt, klaagt Schrijvers.
'Het wilde vlees' behandelt in wezen twee vragen. Wat is er aan de hand? En is dat erg? Het antwoord op de eerste vraag neemt de meeste bladzijden in beslag, is soms ietwat professoraal, maar alleen al door de ordening die de auteur aanbrengt onthullend en huiveringwekkend. Over het antwoord op de tweede vraag is Schrijvers helder: ja, dat is erg. Het nuttigheidsdenken is een alomvattende doctrine geworden die de mensen hun existentie ontneemt: het onstuurbare, oncontroleerbare en toevallige. Het nuttigheidsdenken is een vorm van fanatisme met fundamentalistische trekken en wordt door de auteur in één adem genoemd met de grote totalitaire systemen van de vorige eeuw.
Door de toevoeging van persoonlijke observaties en belevenissen krijgt het boek het karakter van een essay en ontsnapt zo aan de belegenheid die boeken met louter wetenschappelijke pretenties vaak kenmerkt. Zoals het dubbelzinnige dialoogje in de epiloog. In een bar in Leipzig - een van de plaatsen die de activistische auteur koos voor het schrijven van zijn boek - vertelt een jongeman over de ontsnapping aan het totalitaire communisme. Maar na lezing van 'Het wilde vlees' kun je bijna niet anders dan concluderen dat hij in zijn zoektocht naar een nieuw sociaal perspectief zal worden opgenomen in dat nieuwe totalitarisme: dat van de neologistieke orde. Het lijkt onontkoombaar. Het geheel aan infrastructuren en klaarliggende ketens heeft een kritische massa bereikt waardoor zij moeiteloos te recombineren zijn, en in hoog tempo nieuwe systemen vormen waaraan de mens wordt aangepast. Zijn angst wordt met allerlei technieken op een goed niveau van irritatie gehouden. De angst is zelfs tot het hart van de organisatie doorgedrongen. En ook woede, walging, nieuwsgierigheid en verdriet zijn onderworpen aan 'grotere' passiestrategieën. Alles staat ten dienste van het Ene: het Nut.
Keren indien mogelijk. Maar kan dat wel? En als dat kan, rijden we dan niet gewoon door tot de volgende vriendelijke aanwijzing die ons weer op het rechte spoor brengt? Schrijvers doet een aantal suggesties. Dat hoort nu eenmaal in zo'n boek en ik vermoed dat dat weer de tomtomisering van de lezer door de uitgeverij is (waarom mag zo'n boek je niet gewoon alleen de stuipen op het lijf jagen en je stimuleren zelf na te denken - wat toch uiteindelijk de enige kansrijke strategie is?). Eén van die suggesties zou ik zonder meer willen overnemen: laten we de barricaden opgaan voor meetvrije zones. Ze zijn mogelijk de kiemen van een nieuwe orde die weer dienstbaar is aan de mens in plaats van andersom. Meten is door het boek van Joep Schrijvers voortaan een ethisch vraagstuk.
(Recensie door Harold Janssen).
Vrijdag 2 november 2007 - 'Onze Vader...'
Vandaag was ik samen met jou, gelukkig met jou alleen, op de plaats van de ander van wie ik intens gehouden heb. Alleen met jou is het dus gelukt daar te zijn.
Wat rest is een naam, het overige zinkt in vergetelheid. Het ergste was de eeuwige stilte van die plaats. Het zwijgen, dat nooit meer een stem zal voortbrengen of een gebaar.
We moesten even zoeken naar de plaats, maar we vonden hem. We hebben er gezeten, samen. ‘Wat zou je tegen hem willen zeggen?’ vroeg je aan mij. En toen heb ik het gezegd. En jij hebt het gezien en gehoord. Jij hebt getroost, je was er alleen.
Toen ik het gevoel had, dat ik weer weg moest van die plaats, wist ik niet hoe ik afscheid moest nemen. Toen begon ik het gebed ‘Onze Vader, die in de hemelen zijt...’. En jij nam het van mij en met mij over. Een gemeente van twee mensen.
Ik voelde dat ale het verdriet en alle spijt 'los' kwamen van mij. Omdat we samen het grote beeld van het Rijk van God opriepen. We vroegen of dat Rijk alsjeblieft mocht komen. Alleen aan dat Rijk kunnen we ons restloos overgeven. Aan alle andere dingen kunnen we ons niet overgeven. Het had allemaal ánders gemoeten. Er is zoveel niet goed geweest. En dat alles kon ik alleen maar dragen door mijn hart te laten verheffen in en door die woorden 'Onze Vader...'. Alsof de weg naar boven open ging. Als een Jakobsladder (zie foto).
Het gaat nooit meer over.
Wie van ons zal er het eerst niet meer zijn?
Donderdag 1 november – 'Brüderlein...'
Ken je de scène uit Lord of the Rings, waarin Gandalf oog in oog staat met de Balrog? Hij gaat op de brug staan en de Balrog komt om The Fellowship of the Ring te verschalken. Hij hakt met zijn staf op de brug en bezweert: ‘You. Shall. Not. Pass!!’. Machtige scène. De brug breekt af voor de voeten van Gandalf. En de Balrog stort naar het binnenste van de berg. Gandalf denkt dat hij gewonnen heeft. Maar net op het allerlaatste nippertje krijgt de staart van de vallende Balrog hem te pakken. En hij wordt meegesleurd de diepte in. Net op de uiterste valreep.
Zo had ik dat gisteren met ‘Ich freue mich in Dir’ uit de Weihnachtskantate van J.S. Bach. Die tekst vind ik toch wat zoet, wel goed, maar zoet. Nou ja, moet kunnen. Toch werd ik onverhoeds, net op de valreep, gepakt door de woorden ‘Du hast Dich vorgenommen mein Brüderlein zu sein’. Dat is God op zijn hurken, God op ooghoogte. Dat raakte me. Niks God de almachtige, de hoog verhevene, de ongenaakbare. Voor de niet-christenen onder ons: het 'geheim' van je leven is niet ver weg. Je hoeft geen onmenselijke dingen te doen of te laten om aan je bestemming te komen. Het is genoeg, als je 'open' mens bent. 'Just be you, but only the real you...' God dichtbij, méns, ‘Brüderlein’, broertje. Jij, Jezus, mijn broertje. ‘De meeste onder u zal aller dienaar zijn’. Advent.
Maar vergeet Derrida niet. En de kloof, de oneindige kloof. Het mysterie, dat mij be-oogt – mij be-oogt. Vul bij ‘mij’ je naam in. Mysterie op mensenmaat, niet onmenselijk dus, maar passend bij mensen. Niet als de Griekse goden: verheven en sarcastisch en toch ook wel wijs, maar onbetwistbaar superieur. Als mensje ben je tragisch tegenover hen, een verslagen twistertje. Maar met barmhartigheid bewogen – bewogen, net als jij en ik, dat kom je tegen bij ‘Brüderlein’. Tenminste als we niet verstard zijn en blijven.
‘Hij die bestond in de gestalte van God heeft er zich niet aan willen vastklampen gelijk aan God te zijn. Hij heeft zichzelf ontledigd en de gestalte van een slaaf aangenomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd. Hij werd gehoorzaam tot de dood, de dood aan een kruis. Daarom ook heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen staat, opdat in de naam van Jezus iedere knie zich zou buigen, in de hemel, op aarde en onder de aarde en iedere tong zou belijden tot eer van God, de Vader: de Heer, dat is Jezus Christus.’ Fil. 2, 6 – 11.
Okee, dan maar de hele tekst van Caspar Ziegler:
Ich freue mich in dir
Und heiße dich willkommen,
Mein liebstes Jesulein!
Du hast dir vorgenommen
Mein Brüderlein zu sein: (!!)
Ach! wie ein süßer Ton!
Wie freundlich sieht er aus,
Der große Gottes Sohn!
Gott senkt die Majestät, (!!)
Sein unbegreiflich Wesen,
In eines Menschen Leib;
Nun muss die Welt genesen. (!!)
Der allerhöchste Gott
Spricht freundlich bei uns ein,
Wird gar ein kleines Kind
Und heißt mein Jesulein.