Het is merkwaardig om te merken dat overtui- gingen tot ‘niets’ kunnen worden. En dat dan vanuit het ‘niets’ op een eigen manier en tempo ‘alles’ komt. Hoe meer je loslaat, hoe meer dingen er in beweging komen. Dat is kenmerkend voor de Cisterciënzer spiritualiteit: de mens is een affectief wezen, een wezen dat zich hecht om te kunnen leven. En die gehechtheid aan allerlei dingen en allerlei mensen belet je om één te worden in jezelf. En dát moet je eerst worden, en pas dán kun je er zijn voor anderen. Hoe simpel kunnen de dingen zijn. En hechten, dat is eigenlijk: je veilig voelen. Als je je veilig voelt bij iemand, dan blijf je daarbij. Dat is een menselijk mechanisme. Daarmee geef je kinderen de basis voor hun bestaan, door ze ‘basic trust’ te geven. Maar je moet misschien het hechten opgeven, en tóch de veiligheid behouden. Voor die klus sta je als opgroeiend mens. Want je kunt niet altijd bij papa en mama blijven. Je moet/mag/wilt/kunt de wijde wereld in, met je eigen verlangen. Sommige mensen zijn op hun 50e nog steeds bij papa en mama – zonder het te weten. En als je het wél weet, dan nóg legt dat mechanisme je in de luren. Want vóór alles wil je veiligheid. En wel direct en nu en altijd en helemaal, zo werkt ‘het onbewuste’. En als je dus niet goed op je spirituele tellen let, ga je op een kinderlijke manier afhankelijk leven, héchten, leven op kosten van een ander. En dat willen de Cisterciënzers niet, je mag zelfs niet hechten aan God. Helemaal lós van alles, zoveel mogelijk lós, zelfstandig, op je eigen benen. ‘Waar zijn je eigen benen??!’ Dat is de belangrijkste vraag die je jezelf én de ander kunt stellen.
Maar, dat onthechten en één worden – da’s de klus. En daar komt Zen in beeld: want dat is precies wat Zen zegt. Er ligt dus een directe link tussen de Cisterciënzer manier van leven en Zen. Vanmorgen dus eerst zazen gedaan. De zendo was nog half donker, het was nog vroeg, zeg maar. Eén voor één komen de broeders binnen en gaan zwijgend zitten. En blijven dan zitten. Ook ik dus: alleen maar gezeten en alles laten komen zoals het kwam. En op dit punt moet ik even inhouden, even stilstaan. De ervaring van zazen bracht de realisatie van ‘alleen maar zijn’. Er was even ‘niets’ over. Wie me kent, weet waar me dat aan deed denken. Nooit gedacht dat die ervaring me op deze afgelegen plek zou overkomen. En dat was de verrassing van deze dagen eigenlijk. Ik ging naar de trappisten om te zien hoe Zen in Zundert kwam, en ik werd geconfronteerd met mezelf. Het was dezelfde ervaring als die van Kerst 2004 en 6 juli 2006. Alleen maar vragen om ‘zijn’.
Daarna de morgendienst van 8.00 uur meegemaakt. Tijdens de dienst bekroop me een enorme twijfel. Ik zag die mannen zitten en zingen en teksten te berde brengen. De relevantie van dat alles kon ik helemaal niet plaatsen.
Intussen is het bijna 11.00 uur in de ochtend. De monniken die ik vanmorgen zag in de dienst met hun pijen aan en verzonken in gebed lopen nu als gewone mensen over de paden die hier van het ene gebouw naar het andere leiden.
‘Is dit nou leven?’, dacht ik toen. En ergens kon ik wel recon- strueren hoe de teksten van die mannen rond het wezenlijkste cirkelden. Ik moest toch weer aan de grenssituatie van de dood denken, die je in zazen benadert, omcirkelt. Het bestaan in dit klooster is zo gereduceerd tot er alleen maar zijn, in de meest kaal denkbare entourage. Alles is zo sober. Je doet hier niets anders dan ‘zijn’. ‘Niets’ is er hier meer over van de drukte van het leven, van de hectiek, van de sores. Er is hier ‘Niets’, in de letterlijke zin. En dan vanmorgen de zazen. Zitten in ‘Niets’. En het is juist al het andere dat het leven soms te verdragen maakt. In die zin vond ik de kloosterlingen wel hard: ze trotseren het naakte bestaan. Alles is weg, ‘niets’ is er over. En toen bedacht ik me later: eigenlijk zou je het ‘Niets’ moeten kunnen meenemen in ‘Alles’.
Zazen en Zen komt eigenlijk neer op zoeken naar ‘Niets’. In de verte klinkt Lacan mee: zoeken naar ‘de vrouw’. Het wezen van de vrouw is ‘Niets’, zegt Lacan. De vrouw heeft ‘Niets’ te verbergen. En dat is natuurlijk niet denigrerend bedoeld.
In het klooster heerst eigenlijk het ‘Niets’. In het gedenkboek van 100 jaar trappisten in Zundert zag ik een korte uitleg van het woord ‘habijt’ staan. Dat woord komt van ‘habitus’, van ‘habitere’ = wonen. Een monnik woont in zijn habijt. Met andere woorden: hij woont in zichzelf. En verder in ‘Niets’. Er ‘is’ verder ‘niets’. En vanuit dat ‘Niets’ komt het leven. De uitgangen van het leven zijn uit het hart en de uitgangen van het hart zijn vanuit het ‘Niets’, vanuit het ‘ondoorgrondelijke’ (zegt Lau Tzu en Zhuang Zu). En eigenlijk is dat de situatie van de mens, de conditio humana.
Uit de bibliotheek heb ik het boekje ‘Bewaak je hart’ gekregen door de voormalige abt van Zundert Jeroen Witkam. ‘Het is genoeg om God te eren met ademen,’ schijnt hij ooit gezegd te hebben. Dat vertelde althans één van de andere aanwezigen hier. Ik begin een contrast te voelen tussen ‘Niets’ en ‘Alles’. Hoe meer ‘niets’ er is in je, hoe meer er ‘alles’ kan zijn. En dat moet dan de volgorde zijn. Terugtrekken uit de wereld, terugtrekken uit de dingen, loskomen van alles, steeds verder ‘naar binnen’ als het ware. Jeroen Witkam schreef het boekje ‘De weg naar diepte-inkeer’. En daar gaat het over.
We hebben de eucharistie gevierd. We hebben met elkaar in de kring gestaan. Elkaar de groet van Christus gegeven: ‘De vrede van Christus zij met u’. En daarna werden we allemaal een beetje stil.
Vanmiddag gaat Andrew me in de zendo voordoen hoe je moet zitten. Aan een paar andere mede-gasten heb ik het verteld en die willen ook mee-kijken. De stilte is een poort, zei Andrew. We hebben les gehad in zitten. Rechtop zitten, op een bankje, op een matje. Schouders ontspannen, want alle ellende van je leven en lichaam komt via de schouders naar buiten. Ga in je schouders zitten. Ik zat wel goed, maar de schouders moeten meer hangen, meer naar beneden. Verder voelde ik vanmorgen tijdens de meditatie ook wel het balanceren en het evenwicht zoeken. Maar, inderdaad, waar het om gaat is het vinden van de stilte en het in de stilte blijven. Het luisteren dus, het vernemen van wat er is. Gewoon alleen maar ‘zijn’ op je bankje. Niets bijzonders doen, daar zitten, en dan misschien later weer terug komen.
Donderdag 6 maart 2008 – Drie dagen Zundert (II): 'Onthechten en één worden...'
Woensdag 5 maart 2008 - Drie dagen Zundert (I): 'Heer, wees mijn toevlucht...'
Het driedaags bezoek aan het trappis- tenklooster van Zundert heeft me gebracht bij de uitspraak: ‘Heer, wees mijn toevlucht’. En daarmee heb ik een antwoord gekregen op een vraag die ik al lang heb. En ook vermoed ik dat ‘Heer, wees mijn toevlucht’ ook het laatste gebed is geweest van Bonhoeffer.
’s Middags eerst twee ferme vullingen gekregen van mevrouw Clemens, tandarts in Den Bosch. Alleraardigst. Clemens betekent tenslotte in het Latijn ‘de mededogende’.
Daarna gegeten bij en met Josien en op naar Zundert. Kwam ’s middags rond 15.45 uur aan bij de portier. Die zat uitgebreid te telefoneren. Hij heet broeder Frits Kocken en hij heeft cd’s opgenomen met gedichten van Ida Gerhardt. Door het hele trappistenklooster van Zundert zie je foldertjes hangen dat je die cd’s kunt kopen in de winkel van het klooster. Ik heb dus snel de boekwinkel bezocht, maar dat had een andere reden. De portier verwees ons – er kwamen intussen ook andere kloostergangers aan de poort – naar de ontvangst-broeder. En dat was broeder Anton, een alleraardigste volstrekt ont-stress-te man. Die leidde ons rond langs de plaatsen van het klooster waar we mochten komen. Eerst de kerk natuurlijk. Daar worden ’s nachts om 4.30 uur (nacht-officie), om 8.00 uur (ochtenddienst), 12.00 uur (middagdienst), 17.00 uur (vesper) en 20.00 uur (completen) gehouden. De eerste dienst die ik meemaakte was de vesper. En de orde van dienst kende ik niet, en kon ik ook in de gauwigheid niet doorgronden.
Aan broeder Anton heb ik ook meteen gevraagd om broeder Andrew Pears te alarmeren, dat ik er was. Zijn interne telefoonnummer was 663. En ja hoor, meteen de eerste afspraak al te pakken. ‘We’ll meet at seven pm’. Broeder Anton is de organist onder de broeders. Zes keer per dag zit hij op de bok en ondersteunt de zang van de broeders.
Er waren een paar dingen die me bijbleven in de vesper. Ten eerste het zinnetje ‘... die elk schepsel te eten geeft’. In de wereld buiten het klooster woedt een blinde strijd om het bestaan, om het voedsel en je moet maar zien of je wat te eten krijgt. En hier, in die machteloze witte ruimte wordt de oplossing van het hele raadsel gezongen door bijna 30 wereldvreemde mannen in witte gewaden. ‘Hij geeft ze allemaal te eten’. Hoe dan? Doordat Hij het gebiedt! Hij zegt: ‘Zorg dat iedereen te eten heeft’. De drie v’s: vreten, vechten en vrijen. Daar gaat het om in het leven. Nou, doe dat dan! Buiten de kloostermuren klagen ze steen en been dat het leven niet deugt, omdat er zoveel narigheid is. Dat is er helemaal niet. De narigheid ben je gewoon zélf. Doe d’r wat aan.
En het andere dat me bijbleef was het zinnetje ‘... die het zilver beproeft tot het zuiver is’. En dat gaat dan natuurlijk over God. Hij beproeft het zilver, tot Hij zijn eigen beeltenis erin ziet. Wie is het zilver? Jij en ik. Het gaat net zolang niet goed met ons – althans zo lijkt het – tot de schepper zichzelf terugziet in ons, in jou en mij. Tot wij net zo open en mededogend zijn als Hij. Zolang we dat niet ‘zijn’, zolang is er de pijn van het schaven.
Na de vesper gingen we als groepje van zeven kloosterlingen/gasten avondeten. Brood, met kaas, met pindakaas, met hagelslag en met aarbeienjam. En m’n 17.30 uur pilletje natuurlijk. Na de maaltijd afwassen en opruimen en klaarzetten voor het ontbijt, vanaf 7.00 uur. Maar voorafgaand aan de dienst van 8.00 uur morgenochtend is er om 7.15 uur de zen-sessie, het mediteren. Moet ik natuurlijk bij zijn. Maar er is een probleempje. Ik moet op m’n nuchtere maag naar de zen-sessie en naar de kerk, want ontbijten kunnen we vanaf 7.00 uur. Nou, vooruit, dan maar ontbijten na de zen-sessie en de dienst.
In de winkel van het klooster stond het puikje van de eigentijdse spiritualiteit. Aardig wat stof ingeslagen natuurlijk. Onder meer een boekske van Jeroen Witkam, de abt die ooit in een grijs verleden Zen introduceerde in het klooster van Zundert. Daarmee werd Zundert het oudste Zen-centrum van Nederland, al 36 jaar aktief.
Andrew Pears is momenteel assistent Zen-leraar in het klooster. Voor de broeders in het klooster, maar ook voor de groepen die komen oefenen met mediteren in het klooster. De populariteit van de Zen-sessies in het klooster is groot. Elke sessie wordt moeiteloos volgeboekt en er zijn zelfs wachtlijsten. Dus er is veel belangstelling voor Zen in christelijke context. Intern leidt dat tot grote spanningen. Andrew is de assistent van Jeroen Witkam, die overigens geen officiëel leraar is. Wel heeft hij van pater Enomya Lasalle toestemming gekregen om sessies te leiden. Lasalle heeft weer transmissie (heet dat dan) van Ama Samy, een Jezuïet die de hele wereld rond reist/reisde en wel een echte zenleraar is, speciaal geschoold in een school voor leken. In Zen heb je zo’n richting, de naam ben ik er even van kwijt. Lasalle groeide naar zijn eigen interpretatie van Zen toe.
In het klooster van Zundert is nog een andere Zen-man: Jef Boeckmans, een filosoof en intellectueel, die Ruusbroec bestudeerd heeft. Boekmans kent de christelijke apofatische weg van het christendom. Hij is een echte Zen-roshi, een gestudeerde Zen-man dus. Hij geeft sessies in het klooster.
Maar Andrew Pears krijgt trainingen van professor dr. Ton Lathouwers, die veel heeft van Nishida's opvolgers, D.T. Suzuki en Shin-ichi Hisamatsu en
Masao Abe (foto). Pears bezoekt al vanaf 2001 de sessies van Lathouwers. Hij doet al 22 jaar aan zazen. Als je op het kussen zit, zit je elke keer voor het eerst, zegt hij. Je hoeft niet een diepe kennis van Zen te hebben. Dat is niet nodig, wel leuk. Wat wel nodig is, is dat je zelf gaat zitten. En wat je zittend leert, dat moet je toepassen. Dat is wel belangrijk. De Zen-beoefening leidt ertoe dat je een leven gaat leiden dat met een zekere wakkerheid vonher geht.
(Ton Lathouwers op de foto.) Maar, zegt Pears, Zen kun je niet los zien van het Boeddhisme. Het is boeddhisme. Maar de kern ervan is dezelfde als het christendom, zegt hij, als bij gelovigen in bredere zin. En dat bredere is: het erkennen van de menselijke conditie, de conditio humana. Er is ‘iets’ dat groter is dan wij. En dat is een mysterie waar we ons hoofd voor moeten buigen en onze handen moeten vouwen.
Zen wordt tegenwoordig overal toegepast: in het zakenleven, in de relax en waar niet al. Maar dat is de kern niet, zegt Pears. Zen werkt therapeutisch, maar het is geen therapie.
De leer van Zen: heb inzicht in jezelf. Word één met jezelf, met je wáre zelf. En dat is God. In de praktijk komt Zen dichtbij het christendom. Het gaat over ‘ik’ die in het grote ‘niets’ of ‘iets’ besta, aldus Pears. Geen uitwissing van het ‘ik’. Geen ‘oblivio’. Boeddha sprak alleen over ‘dit’ leven en die optiek kun je makkelijk plaatsen binnen het christendom.
Andrew doet zazen vanaf zijn 24e jaar. Op zijn 28e is hij monnik geworden. Achttien jaar monnik dus en bijna 22 jaar Zen. De trappisten van Zundert zijn contemplatieven. Als je vrede in je hart wilt, zegt Pears, moet je je roeping volgen. There is no other way. En dat betekende voor hem: klooster. Over de geschiedenis van Andrew Pears kun je lezen op de site van Ton Lathouwers: www.mahakarunachan.nl. Karuna betekent ‘mededogen’ en ch’an = zen = chinees woord. De Chinese vorm van Zen is luchtiger, met meer humor, zachter. De Japanse vorm is strakker en strenger.
De lievelingsleraar van Andrews is Shunryu Suzuki. Die schreef een populair boek: Zen mind, Beginner’s Mind. Vertaald in het Nederlands. Belangrijk is, dat je Zen doet, zegt die man. Je hoeft verder niet zoveel te weten. Dóe het nou maar.
In de biografie van Andrews speelde het een rol dat hij in zijn jeugd een keer op de radio een Theravada-boeddhist hoor uitleggen wat het Boeddhisme inhield. Het ging over ‘lijden’ en dat vond Pears relevant, dat trof hem. Hij ging veel boeddhistische boeken lezen en ook literatuur van Jung. Hij heeft zelfs overwogen om in te treden in een Boeddhistische tempel. Maar dat ging niet door, omdat hij ging kiezen voor zijn christelijke roots. Aardige jongen, trouwens die Pears. We zijn vriendelijk voor elkaar.
Pears trekt een mooie parallel tussen bidden en zazen. De praktijk van contemplatie is verplicht voor de trappisten. Zij moeten en willen ook als monniken veel bidden. En bidden betekent bij hen: knielen. Met je botten op een kussen. Pears heeft ontdekt dat je in die houding heel lang en heel stil kunt bidden. Let dus op: knielen is er niet voor niks. Het wil het mogelijk maken dat je lang stil kunt zijn. En dat is precies ook de bedoeling van Zazen, zegt hij. Dan zit je op de botten van je bekken. Morgen krijg ik les in het zitten. Want dat is een hele kunst. Het stil zitten. Dus: een leerling van Ton Lathouwers gaat aan mij leren zitten. Watch me! Zitten op een kussen en knielen op een kussen komen op hetzelfde neer. Leer me bidden. Andrew gaat binnenkort naar een tiendaagse (!) sessie Zazen. Tien dagen bidden!
Nu draai ik Ray of light van Madonna. ‘There’s no greater power than the power of goodbye. Learn to say goodbye.’ Joost is ook dol op dat mens van bijna 50, zei hij.
Ik moet in de winkel nog kijken naar Nico Tydeman ‘Dansen in het duister’. Tydeman propageert een anti-geestelijke school van Zen, zegt Pears. Wel wil Tydeman bruggen bouwen tussen Zen en het christendom. We zien morgen wel...
Maandag 3 maart 2008 – Nietzsche & Bonhoeffer: 'Frische Luft! Frische Luft!'
(De foto links is van het gezin Bonhoeffer, waar moeder Paula voorleest aan haar kinderen. (Dietrich staat rechts op de foto, manneke met het witte haar). De foto beneden van moeder en zoon Nietzsche doet denken aan de situatie van Goede Vrijdag: ‘Zoon, zie uw moeder. Vrouw, zie uw zoon’.) ‘Het christendom heeft partij gekozen voor alles wat zwak, laag en mislukt is, het heeft de ontkenning van de overlevingsinstincten van het sterke leven tot een ideaal verheven’. Aldus Friedrich Nietzsche in ‘De Antichrist’, het boek dat hij in 1888 op de grens van de waanzin schreef. Het was niet voor het eerst dat hij afrekende met het christendom, maar hij deed het hier feller dan ooit tevoren. De tweeduizend jaar christelijke cultuur vormden in zijn ogen het grootste bedrijfsongeval dat tot nog toe in de geschiedenis van de mensheid heeft plaatsgevonden. De paradoxale successtory van de mislukkende mens. De hegemonie van de machteloze, die zijn eigen angst om te leven religieus zo heeft opgehemeld en uitgebuit, dat hij het als zijn kracht is gaan beschouwen. In zijn prediking van de God van het medelijden en de deugd van de naastenliefde heeft het christendom de zieligheid gepatenteerd. Het hiernamaals is een luchtkasteel, gebouwd door mensen die niet in staat zijn hun eigen aardse huis bewoonbaar te maken. De christelijke moraal van dienst aan de naaste en gehoorzaamheid aan God is de slaafse verinnerlijking van een kruiperige hondenmoraal. ‘Het christendom is een opstand van alles wat laag-bij-de-grond is tegen datgene wat niveau heeft: het evangelie van de “nederigen” maakt ook werkelijk nederig.’ Weg dus met het geweten, weg met het schuldgevoel, weg met de zonde, weg met ‘geestelijk leven’, weg met God! Leve het lichaam, leve de zinnen, leve de vrijheid, leve het … niets. Laten we voortaan hoogte en diepte van het leven uitbuiten, en niet langer angstig ervoor weg vluchten. Mijdt daarom de veilige luwte van de metafysica, de bedompte zolders van de christelijke theologen! De 19e eeuwse Duitse idealisten hadden het christendom nog als een hoogtepunt van beschaving en cultuur beschouwd, de domineeszoon Nietzsche die zichzelf aan de schoot van dat idealisme had ontworsteld, wist nu beter: het christendom is het toppunt van decadentie, de belichaming van de instinctieve haat tegen de werkelijkheid: ‘Ik beschouw het leven zelf als instinct tot groei, tot bestendigheid, tot opeenhopen van krachten, tot macht: waar de wil tot macht ontbreekt, daar is verval.’
De theologie kan met deze boodschap twee dingen doen, aldus de jonge Nietzscheliefhebber en theoloog Dietrich Bonhoeffer (1906 – 1945) in een college dogmatiek, begin jaren dertig van de vorige eeuw. Men kan hem schouderophalend negeren en zeggen dat hij niets van het christendom begrepen heeft, of men kan bij hem in de leer gaan. Bonhoeffer zelf kiest voor het laatste. Maar is het christendom wel in staat om Nietzsche te overleven?
Dat Dietrich Bonhoeffer in Nietzsche zijn natuurlijke gesprekspartner vond is niet verwonderlijk. Niet alleen was in het Berlijnse academische milieu van de jaren twintig, waarin hij opgroeide, de lectuur van Nietzsche even gangbaar als die van Goethe en Kant, ook zijn persoonlijkheid was als het ware op diens filosofie gebouwd. Met Nietzsche had Bonhoeffer een hekel aan zwakheid, en weinig geduld met klagers en jammeraars. De Bonhoeffers werden opgevoed tot mensen met ruggengraat, die ook in zwaar weer ‘Haltung’ wisten te bewaren. In 1943 wordt Dietrich Bonhoeffer gevangen gezet vanwege zijn aandeel in het verzet tegen Hitler. Van meet af aan hangt hem het doodsoordeel boven het hoofd, dat in april 1945 ook daadwerkelijk wordt voltrokken. In zijn brieven uit de gevangenis maakt hij melding van de zware druk waaronder hij staat. Maar ook lucht hij zijn gemoed over mensen die tijdens luchtalarmen het - letterlijk - in hun broek doen van angst. Hij veracht ze. Hij, de dominee, vertikt het ook om dan een troostend christelijk woord te spreken of een schietgebed te doen. ‘Over tien minuten is het weer voorbij’, is alles wat hij kan zeggen. Hijzelf maakt in zijn brieven melding van zijn ‘tirannieke natuur’, waarmee hij anderen wel eens aftroeft en overbluft. Ook al voelde hij er zelf niets voor bij de ‘krachtpatsers’ te worden ingedeeld worden, op zijn minst kan toch men zeggen dat we hier van doen hebben met een krachtige persoonlijkheid, een sterk mens, die Nietzsche’s afkeer van laf en lauw leven van nature deelde.
Iemand bovendien, die van huis uit een instinctieve afkeer van klein- burgerlijke bekrompenheid was bijgebracht. ‘Burgerlijk’, stond bij de Bonhoeffers voor groots en meeslepend leven en niet voor de benepen angstvalligheid, het op veiligheid en zekerheden gebouwde kantoorklerkenbestaan van de lagere middenklasse. De leden van de familie waren bestemd voor een leidinggevende positie in de samenleving. De kinderen werden opgevoed tot ‘vrijheid’ en ‘verantwoordelijkheid’; ‘gehoorzaamheid’ en ‘nederigheid’ kwamen in de deugdencataloog van de Bonhoeffers niet voor. Als Dietrich Bonhoeffer er voor kiest om theologie te studeren en predikant te worden, in plaats van jurist (zoals zijn broers) of psychiater (zoals zijn vader), wordt hem dat ontraden. Of hij zichzelf en zijn talenten wil begraven in dat bedompte instituut? ‘Frische Luft! Frische Luft!’ hadden met Nietzsche zijn broers in koor kunnen uitroepen.
De Bonhoeffers kozen in de Weimar-periode voor de democratie als politiek stelsel, maar cultureel zijn ze nooit democraat geweest. Men haalde zijn neus op voor middelmatigheid, de smaak van de massa. Elite was in deze kring geen vies woord, maar een geuzennaam. En hoe meer het gepeupel van de straat in de jaren dertig in Duitsland bezit nam van de macht (het nazisme werd immers vooral gedragen door het ressentiment van de kleine burgerij), des te meer ‘kwaliteitsgevoelens’ bij de verzetsman Bonhoeffer en zijn familie gingen opspelen.
Hoe komt de theologie eruit te zien van iemand, die van nature en van huis uit zich zo verwant weet aan Nietzsche? Dat moet wel leiden tot een ‘aristocratisch christendom’. De term komt letterlijk voor in de al genoemde gevangenisbrieven die Bonhoeffer vanuit zijn Berlijnse cel aan zijn vriend Eberhard Bethge schreef. Hij ontwikkelt de contouren van een theologie die Nietzsches religiekritiek probeert te integreren. Een christendom dat gehoor geeft aan de oproep van Zarathustra: ‘ik bezweer jullie, mijn broeders, blijf de aarde trouw en geloof degenen niet die jullie over bovenaardse hoop spreken!’ (Also sprach Zarathustra, voorrede). Een voornaam geloof, dat niet via de achterdeur van de menselijke zwakheid binnen probeert te komen, maar dat netjes voor aanklopt en hoffelijk blijft, ook als het niet wordt binnengelaten.
In de ogen van Nietzsche ontvlucht het christelijk geloof de aardse werkelijkheid door een achter- of bovenwereld te construeren, waarin het goed toeven is als het in deze wereld even te wild gaat. Religie kan met de ene wereld niet goed uit de voeten, en maakt er daarom een tweede bij. Een ‘echte’ wereld, die je echter niet kunt zien: de transcendente, goddelijke wereld. En een schijnwereld, de onze. Hij is tastbaar dichtbij, maar niet de ware. Waarheid en illusie, de meta-fysische en de fysische wereld – vanaf Plato tot en met Kant is de ene aardse werkelijkheid opgedeeld in schijn en wezen.
In zijn parabel van de gekke mens velt Nietzsche het doodvonnis over deze constructie, bij gratie waarvan God bestaat.
‘Hebt u nooit gehoord van die gekke mens die op een heldere morgen een lantaarn opstak, op de markt liep en schreeuwde: 'Ik zoek God, ik zoek God.' - Omdat daar juist veel mensen waren die niet aan God geloofden, verwekte hij een uitbundig lachen. Is hij zoek geraakt? zei de een. Is hij als een kind de weg kwijt geraakt? zei de ander. Of heeft hij zich verstopt? Is hij bang voor ons? Is hij scheep gegaan? , geëmigreerd? - zo riepen en lachten ze door elkaar . De gekke mens sprong midden onder hen rond en doorboorde hen met zijn blikken. 'Waar God heen is?' riep hij, 'ik zal het u zeggen: wij hebben hem gedood, - u en ik. Wij allen zijn zijn moordenaars. Maar hoe hebben we het gekund? Hoe konden we de zee leegdrinken? Wie gaf ons de spons om de hele horizon uit te wissen? Wat deden we toen we deze aarde van haar zon losmaakten? Waarheen beweegt zij zich nu? Waarheen begeven wij ons? Weg van alle zonnen? Vallen we niet voortdurend? En achterwaarts, opzij, voorwaarts, naar alle kanten? Is er nog een boven en beneden? Dolen we niet als door een eindeloos niets? Staart ons de lege ruimte niet aan? Is het niet kouder geworden? Nadert niet steeds meer nacht en meer nacht?'. (Die fröhliche Wissenschaft)
Er is maar één wereld en dat is de onze. Wie afscheid neemt van het metafysisch dualisme wist als met een spons de horizon tussen Deze en Gene Zijde uit. Dan blijkt religie opeens een illusie, en God dood. Waarom? Wie is daarvoor verantwoordelijk? We hebben het zélf gedaan, constateert Nietzsche. Wij hebben God gedood, door eindelijk eerlijk tegenover ons zelf te worden. Door te erkennen dat wij godenfabrieken zijn, metafysische machines die het menselijk tekort van dood en eindigheid, van onvervulbaar verlangen en onophefbare eenzaamheid niet recht in de ogen durven zien, en daarom het tekort compenseren met een hemels tegoed. Omdat we het op aarde niet uit kunnen houden, worden we wolkenwandelaars en luchtfietsers. We scheppen onszelf een ‘geestelijk leven’, we beloven onszelf een hiernamaals, en baden onszelf in de warme, denkbeeldige zon van God, de Waarheid of het Zijn.
Voor wie eenmaal aan dat dualisme voorbij is, worden waarheid en schijn begrippen zonder betekenis. Er is alleen nog leven, wil tot macht, lichaam, pijn, dood. Wie durft onvoorwaardelijk ja tegen dat leven te zeggen? ‘Ik wacht op de arts die de moed heeft om te laten zien dat het in alle filosoferen tot nog toe niet om “waarheid” ging, maar om iets anders, laten we zeggen gezondheid, toekomst, groei, macht, leven...’ , schreef Nietzsche, de door ziekte geplaagde denker, die zichzelf graag de rol van arts van de westerse cultuur toedichtte.
De dokterszoon Dietrich Bonhoeffer voelt zich geroepen het christendom in de geest van Nietzsche te saneren. Hij groeit op in de jaren twintig wanneer de Duitse intelligentsia het idealisme heeft ingeruild voor de levensfilosofie, de lofzang op het irrationele, geleefde leven, dat voorafgaat aan elke reflectie. Men spiegelt zich niet meer aan de redelijke bezonnenheid van de wijze grijsaard, maar aan de spontaniteit van het spelende kind – voor Nietzsche het beeld bij uitstek van de ideale ‘Übermensch’. Met onbevangen, jeugdige retoriek preekt Bonhoeffer als vicaris in Barcelona in 1928 in deze geest over de aarde als moeder en God als vader. ‘Alleen wie de moeder trouw blijft, zal zich tenslotte in de armen van de Vader mogen leggen,’ houdt hij zijn gehoor voor. Hij vertelt graag de sage van de reus Antaeus, de zoon van Poseidon en moeder aarde, Gaia. Omdat Antaeus bij elke aanraking met zijn moeder nieuwe kracht kreeg was hij onoverwinnelijk. Heracles ontdekte echter zijn geheim, en overwon hem door hem van de grond te tillen. Zo is het ook gesteld met een christelijk geloof dat de aarde ontrouw wordt. En is christelijke moraal serviele gehoorzaamheidsethiek? Slaafs wetticisme dat blindelings de goddelijke geboden opvolgt? De jonge Bonhoeffer tekent de christen als een nietzscheaanse held, die zich in z’n door God geschonken vrijheid zijn eigen tafelen der wet ontwerpt. ‘De mens die liefheeft is de revolutionairste mens op aarde. Hij is de omverwerping van alle waarden, de springstof van de menselijke samenleving, hij is de gevaarlijkste mens,’ aldus Bonhoeffer in een preek uit 1932.
Toe maar. Men kan zeggen: hier wordt Nietzsche zo met Luther aangelengd, dat diens antichristelijke venijn onwerkbaar wordt verdund. Een vergeeflijke filosofische flirt, een theologische jeugdzonde? Maar ook de latere Bonhoeffer kan niet anders dan op theologische gronden Nietzsches afkeer van wereldvreemd christendom delen en onderstrepen. Als de christelijke kernboodschap over de menswording van God in Jezus Christus van werkelijke betekenis is, dan is christelijke de blikrichting precies tegengesteld aan de religieuze: niet van de aarde weg ten hemel, maar omgekeerd. De metafysische ‘God’ is een religieuze wensconstructie die de wereldvlucht sanctioneert. De God waarmee Jezus van Nazareth het daarentegen hield, ontneemt ons niet het zicht op de dingen, maar wil ons de scherpe contouren van de werkelijkheid laten zien en ervaren. Hij staat voor een levensperspectief en levenspraktijk waarin de extremen van haat en liefde, eenzaamheid en extase, onvervuld verlangen en genade-ervaring worden gepeild en doorleefd tot op hun uiterste. De God van Jezus sanctioneert niet de kleinburgerlijke angst voor het leven, maar stelt het aan de kaak. Christelijk geloof kan in de ogen van Bonhoeffer eigenlijk niets anders inhouden dan: gokken op de God van Jezus. Het houden met dezelfde God als hij. Als levenspraktijk. Al het andere is metafysische humbug, theoretisch theologenbedrog.
In de virulente aanval op het christendom die Nietzsche in De Antichrist onderneemt, krijgen de christenen er ongenadig van langs, maar wordt de toon gedempt als Jezus zelf ter sprake komt. Ook hij was immers een ‘vrije geest’, het slag mensen waar Nietzsche op valt. Als je hem en zijn volgelingen met elkaar vergelijkt, blijkt het hele christendom een groot misverstand: ‘in de grond is er slechts één christen geweest, en die stierf aan het kruis. … Uitsluitend de christelijke praktijk, een leven zoals hij die aan het kruis stierf, het geleefd heeft, is christelijk… Zelfs vandaag nog is een dergelijk leven mogelijk… Het echte, het oorspronkelijke christendom zal te allen tijde mogelijk zijn… Niet een geloof, maar een doen, en bovenal een veel dingen niet doen, een ander zijn…’ Maar het christendom heeft de zaak van Jezus verraden. ‘Wat vanaf dat moment “evangelie” heette was reeds het tegendeel van wat hij geleefd had: een “slechte boodschap”, een dysangelium.’
De theologie van deze Nietzsche – als men het zo mag noemen – gaat op in een analyse van het christelijke verraad aan Jezus. Bonhoeffer’s theologie heeft in feite precies dezelfde inhoud. Zij bestaat uit twee dingen: christologie (een visie op Jezus) en religiekritiek (een afrekening met het ontspoorde christendom). Christenen in het spoor van Jezus hebben volgens de jonge Bonhoeffer geen wereld achter de hand, en kunnen geen - met een term die Nietzsche daarvoor muntte - ‘Hinterweltler’, achterwereldbewoners zijn, zoals in de religie gebruikelijk. In Bonhoeffers werk wordt zo al vroeg het hachelijke besef duidelijk dat later in de gevangenisbrieven tot verdere rijping komt: het christendom is een grote paradox. Niet als décadence, als vervalsgeschiedenis, zoals Nietzsche vond, maar wel als een religie die in het dogma van de incarnatie zijn eigen onmogelijkheid in zich draagt. Een religie, die de premisse van de religie (God die in de hemel troont) ontkent. Een religie als uittocht uit het land van de religie.
Nietzsche, de filosoof met de hamer, wil de christelijke spijker precies op zijn kop slaan. De eerste klap is al raak, maar geldt voor religie in het algemeen: het christendom is ook een vorm van religieuze wereldvlucht, net als vele andere. Specifiek christelijk is echter de christelijke moraal van naastenliefde en mededogen. Daarin is het christendom werkelijk uniek. De mislukkelingen, de ‘Schlecht-hinweg-gekommenen’ hebben in het christendom van hun nood een deugd weten te maken en hun eigen onvermogen als godgewild gesanctioneerd en verheerlijkt. Zijn wij niet tegen het leven opgewassen? Dat hoeft ook niet, God ontfermt zich over de zwakke. Verachten we onszelf? In het gebod van de naastenliefde ontsnappen we aan de last om zelf iemand te zijn. Genieten we van ons lichaam? Gelukkig hebben we een slecht geweten. Sterven we? Geen nood, God schenkt ons een onsterfelijke ziel. Nederige dienstbaarheid aan de naaste, serviele gehoorzaamheid aan God - dat is de christelijke moraal in de kern: de moraal van laffe mensen, die bang zijn voor het leven.
De aristocratische theoloog Bonhoeffer herkent zich niet in het beeld. Hij blijkt zich maar moeilijk te kunnen identificeren met de zielige mens, die zich wentelt en koestert in zelfbeklag. In kerkelijke preken over de rijke man en de arme Lazarus is het gangbaar dat de hoorder zich mag spiegelen aan de arme Lazarus, wiens lijden wordt gecompenseerd in de armen van de Vader. In zijn preek over de gelijkenis weigert Bonhoeffer dat. ‘Jij denkt misschien dat jezelf Lazarus bent?’ vraagt hij. ‘Wie Lazarus is? Altijd de ander…’ Het is een hard soort christendom, dat Bonhoeffer verkondigt, geen troostrijke oase. Ja, uiteindelijk, ten laatste, als alles gezegd en gedaan is, dan mogen wij onszelf aanbevelen in de genade van God; dan is ook de rijke man misschien een Lazarus. Maar genade is een laatste woord en moet dat ook blijven. ‘Men kan en mag het laatste woord niet voor het voorlaatste spreken, ’ luidt Bonhoeffers lijfspreuk. Terwijl Nietzsches moraal het uiterste van onze creativiteit vraagt met het oog op onze individuele zelfverwerkelijking, eist Bonhoeffer van de vrije, sterke mens – in bewoordingen die aan Levinas’ strenge verantwoordelijkheidsethiek doen denken - dat hij zich sociaal verplicht tot de zwakke. Toch dus een christelijke verheerlijking van het zwakke? Als je maar beseft dat er twee soorten zwakheid zijn. Er is zwakheid uit verwijtbaar onvermogen, die voortkomt uit luiheid en gebrek aan moed. Dan nemen mensen de rol van slachtoffer op zich omdat het hen goed uitkomt. Die zwakheid is verachtelijk, zegt Bonhoeffer met Nietzsche. Maar er is ook zwakheid die mensen overkomt omdat het lot ze treft. Zij bevinden zich buiten hun schuld in de hoek waar de klappen vallen. Zij zijn werkelijk slachtoffer. Voor de confrontatie met deze lijdenden is veel moed nodig, kracht, gezondheid. Zij bestaan immers in het donker en ‘die im Dunklen sieht man nicht’.
Nietzsche vraagt veel van een mens, de Jezusvolgeling Bonhoeffer lijkt nog meer te vragen. ‘De christelijke verhouding tussen de sterke en de zwakke mens is dat de sterke behoort op te zien naar de zwakke, en niet op hem neer.’ Een ‘Umwertung aller Werte’, die haaks staat op die van Nietzsche, omdat Nietzsche alleen weerzin ervoer, en geen respect had voor de zwakke. Maar ook haaks op het christendom dat zegt te roemen in zwakheid, maar luiheid bedoelt.
In Bonhoeffers gevangenisbrieven worden de nietscheaanse elementen in zijn denken radicaler zichtbaar dan ooit. ‘Kwaliteitsgevoelens worden van jaar tot jaar sterker’, schrijft Bonhoeffer vanuit de cel aan zijn vriend, en dat geldt blijkbaar ook zijn theologie. Zowel zijn weerzin tegen metafysische speculaties, tegen de opdeling van de werkelijkheid in twee ruimten, als zijn verzet tegen het christendom als een apologie van de menselijke zwakheid worden sterk uitvergroot. De aristocraat Bonhoeffer zit nu zelf in de hoek waar de klappen vallen. Hij, de geboren leider, bekijkt de wereld nu, zoals hij zelf schrijft, vanuit ‘het perspectief van de uitgerangeerden, de gewantrouwden, de mishandelden, de machtelozen, de onderdrukten en de gehoonden, kortom de lijdenden’. Maar hij weigert zich in die positie te laten verleiden tot ‘een partij kiezen voor de eeuwig ontevredenen’. Met de dood voor ogen ontwikkelt hij een theologie die het leven, de gezondheid en de kracht het volle pond wil geven. We kunnen in deze brieven bijvoorbeeld lezen dat het smakeloos is om in de armen van een vrouw naar de hemel te verlangen. Dat de wereld mondig is geworden, en dat mensen ‘zoals ze nu eenmaal zijn’ niet meer religieus kunnen zijn. Dat het ter sprake brengen van God aan de grenzen van het leven een vorm van denkluiheid is. Dat God niet als gaatjesvuller en stoplap moet worden gebruikt. Dat een christelijke apologetiek die vreest dat de moderne wetenschap geen plekje meer voor God overlaat ‘niet voornaam’ is. Dat het christelijke gewroet van moderne zielzorgers, die in het simpele levensgeluk van mensen nog zoeken naar een verdorven plekje, maar eens afgelopen moet zijn. Alsof gezondheid in de kerk ineens een vorm van ‘ziekte’ moet heten! We lezen er dat het christelijke geloof geen verlossingsreligie is, en het hiernamaals geen christelijk leerstuk. Dat Jezus niet een voor het leven ongeschikte zielenpoot is geweest, maar ‘de mens voor anderen en daarom de gekruisigde’. Dat opstanding betekent: de goddelijke bevestiging van het aardse leven, dat we voor de volle 100% mogen uitbuiten. Dat de grensvragen van het leven onbeantwoordbaar blijven en het verdriet en het gemis ongeïnterpreteerd moeten blijven.
Flarden van een theologie waarin tastenderwijs nietzscheaanse intuïties worden geïntegreerd. ‘Een niet-religieuze interpretatie’ van het christelijk geloof, noemt Bonhoeffer het, wellicht een tikje te pretentieus. Als je verder denkt in dit spoor, waar kom je dan uit? Bij een spierballenchristendom, dat blind is voor de nachtzijde van het leven? Daarvoor heeft Bonhoeffer te goed de figuur van Jezus op zich laten inwerken. Wel bij een theologie die tot een radicale vermageringskuur van het christendom moet leiden. Een christendom dat de vluchtweg in een Dubbelwereld heeft afgesloten is immers ten enenmale ongeschikt geworden als bevredigend antwoord op de grote levensvragen. Zij houdt ze levend, dat wel.
Dr. F. de Lange
(Trouw, Letter& Geest 9 september 2000)
Zaterdag 1 maart 2008 - 'Søren Kierkegaard, ik hou van je...'
Het is niet goed als je liefde een makkelijke roes is, een ‘Rauschgift’ – onverge- lijkelijk mooi Duits woord! Pas als je weet wat het is om je leven te geven, pas dan weet je wat liefde is. Je leven geven, dat is: doodgaan. Oeps! Zucht. Wat nóu weer? Ja, ben even Derrida aan het lezen: ‘Donner la mort’. Maar het is niet somber of naar of zo. Het is uiteindelijk heldere en zuivere, wil zeggen: harde, lucht. Maar hard is niet goed, eigenlijk vind ik. Zacht is beter. Hoe het zachte hard kan zijn. ‘You’re frozen, when your heart is not open’, zingt Madonna.
Soms sta je voor een moeilijke beslissing in je leven. Je weet absoluut niet wat je moet doen. Niemand zegt het je, in geen enkel boek is het te vinden. En de mensen aan wie je om raad vraagt zeggen – meestal na een heel braaf verhaal over ‘De bijbel zegt dit, en de bijbel zegt dat...’ – tenslotte: ‘Maar jij moet het zelf maar beslissen, hoor, jij moet kiezen’. Ja, duh. En dan ga je bij jezelf na wat ‘goed’ is om te doen. En aan alles wat je kiest zit wel een ‘mits’ en een ‘maar’. En je komt er niet uit. Zo gaat het. Dus dan maar niks doen? Da’s ook kiezen. En met niks kiezen kom je ook nergens. Als je niks kiest, dan gaat het fout met je.
Wat doet Abraham? Hij komt op de gedachte om Izaak te offeren. Helemaal gek geworden! Hij doorloopt niet eens de stadia die ik daarnet noemde. Want hij weet dat je ware ik dieper zit dan de verhalen die je ophangt. Abraham laat – met zweet op zijn voorhoofd – het ‘weten’ achter zich. En hij gaat nóg verder: hij laat ‘goed en kwaad’ ook achter zich. Hij gaat nóg verder, nóg verder naar zijn echte ‘ik’. Hij ontdoet zich van alles en iedereen en hij staat zo naakt als het maar kan in het leven, tegenover God. Hij luistert alleen nog maar naar de stem van binnen. Hij zet die stap, hij stapt in de vrijheid. In de vrijheid. Dát is je echte menselijke situatie: je vrijheid, je eenzame en diepe vrijheid. Luisteren naar je eigen stem. En de halve wereldgeschiedenis is over hem gevallen. Iedereen boos op hem. 'Schande!'. Maar hij luisterde alleen naar de stem van binnen. En diezelfde stem - let wel! - zegt ook: 'Stop, Abraham!'. Dezelfde stem.
En pas als hij die stap gezet heeft, pas als hij zijn eigen stem gevolgd heeft, pas dan kan hij ethisch (‘goed en kwaad’) worden, pas dan spaart hij het leven van het kind en pas dan ‘weet’ hij wat er gedaan moest en mocht worden. Dát is de volgorde.
Maar het was toch niet Abrahams stem? Het was toch Gods stem? Nee, hij stemde ermee in. Het werd zijn stem, hij gehoorzaamde, hij hoorde en hij volgde. Rare man, die Abraham.
Hoe neem je afscheid van iemand? Iemand is in je leven geweest en zwijgt nu. Op de verre achtergrond schemert het verhaal van mama en papa en ik. Oedipus revisited. Eerst denk ik dat ik mama’s enige hoop ben. Tot ik besef dat ik mijn plaats – mijn gedáchte plaats – moet afstaan aan papa. Hij is het voor mama, niet ik. Daar sta ik met mijn verlangen, als kindje dan. Oedipus in zuivere vorm. Maar waar vind je tegenwoordig nog een normaal Oedipuscomplex? De zuivere gestalte is dus die van ik met mijn zuivere en vrije verlangen. De stem van binnen, van het verlangen, dat ben jij. Vrijheid, de link met het Abraham-verhaal. Maar dan ook verlangen. De geboorte van het verlangen door het afscheid van mama. De eeuwige zwerftocht om de armen te vinden die er nooit geweest zijn. Dat is vrijheid, denk je dan, dat is hét. Tot je weer tot stilstand komt in de armen van de ander, die dan zacht en ongemerkt veranderen in een kooi met gouden tralies. ‘I was your fortress you had to burn’, zingt Madonna. Abraham had zo’n fortress: ‘ik weet wat ik doe’ en ‘dit of dat is goed om te doen’. Het ging er allemaal aan.
Hoe zal het dan kunnen en moeten? Helemaal los, helemaal op je eigen benen. In ieder geval proberen om niet ‘veilig’ te willen zoeken. In niets. Helemaal kwetsbaar en ‘vulnerable’ bestaan, staan. En soms vallen. Het verlangen naar veiligheid kan je uitputten. Afmatten, ‘I had to keep moving’.
Ik kom weer bij Kierkegaard en Derrida terecht en bij het offer van Abraham dus. De twee genoemde schrijvers hebben zich suf gepiekerd over Abraham die zijn zoon offert. Kierkegaard heeft het geval voorzien van zoveel mogelijk verklarende scenario’s. Wat heeft die oude man bewogen om dat te doen, om de gedachte überhaupt alleen al in zijn hoofd te laten zijn? Verbijsterd was Kierkegaard. Hij schreef er een boek over: ‘Vrees en beven, met als ondertitel ‘Dialectische lyriek’. Jemig, wat hou ik van Kierkegaard! In mijn exemplaar heb ik de datum van aanschaf opgetekend: 5 september 1986. Het voorwoord eindigt (en ik krijg opnieuw een lachbui!): ‘Ik val in diepste onderdanigheid neer voor elke systematische snuffelaar die me tegenwerpt: ‘Maar dit is het systeem niet en het heeft met het systeem niet het minste te maken’. Goed, ik hoop dat het het systeem goed zal gaan en ook alle Deense belangstellenden voor deze omnibus; want een toren zal het wel nooit worden. Ik wens hun allen tezamen en ieder in het bijzonder veel geluk en zegen. In diepe eerbied, Johannes de Silentio’.
Okee, even bijkomen. Geweldig, wat een ironicus!
Maar nu erin dus. Ik zal een lang verhaal kort maken. Even terzijde: het verhaal van Abraham en Izaak is volgens mij het meest aangrijpende uit de hele bijbel, met uitzondering dan van het ‘Eloi, eloi, lamah?’. En dan heb ik het dus eigenlijk over twee soortgelijke verhalen. (Moet je lezen wat Kierkegaard schrijft over Abraham die zijn ogen tijdens de reis opslaat en de berg Moria ziet... ‘Hij sloeg onmiddelllijk zijn ogen weer neer. Zwijgend...’). Hartverscheurende zinnen, direct aan het begin al: ‘Abraham was groot door de kracht die onmacht heet, groot door de wijsheid waarvan het mysterie een dwaasheid is, groot door de liefde die haat tegen zichzelf is’. Ik moet het boek echt wegleggen nu. Het is een hartverscheurend, diep aangrijpend boek. En alles wat Kierkegaard zegt over de mens Abraham en zijn God en zijn kind en zijn vrouw, het gaat allemaal door merg en been. Wat een verschrikkelijk verhaal, wat een glorie!
Okee, ik zou het kort maken. Abraham krijgt de opdracht om – na jaren en jaren van wachten op een kind – zijn kind te offeren aan God. Stop hier met lezen en realiseer je hoe volkomen absurd dit is. Als je christen bent, wil ik tegen je schreeuwen: In zó’n God geloof jij! Ben je helemaal gek geworden?! Hoor je?! Je kind offeren, het kind van je liefde. Weet je wat liefde is? Ik denk het niet! Ik denk van niet! Want als je het wist, zou je huiveren nu. Abraham had 70 jaar geloofd en gehoopt en liefgehad en kreeg Izaak. En nu moest Izaak weer weg! Hóór je? Weet jij wat het is om een kind te moeten begraven? Weet je dat? En weet je dan ook wat het is om je kind te doden? Dáár gaat het over dus!
Snap je nou wat er door Abraham heengaat als hij de berg Moria voor zich ziet? En dat er de hele tijd in dat verhaal staat dat ze ‘zwijgend’ voortgaan? Zwijgend. Ben jij weleens zo kapot geweest dat je alleen maar kon zwijgen? Weet je wat zwijgen is, wat het is om tot zwijgen te worden gebracht, om je hand op de mond te leggen en te zwijgen?
Abraham dus.
Toch gaat Abraham verder. En dat is precies wat er gebeurt. Hij gaat verder. Verder, dat is het woord. In de hedendaagse fijne spiritualiteit wordt fijn gekeuteld over ‘transcenderen’. ‘Je moet jezelf overstijgen’, ‘Je kunt heerlijk transcenderen’. Wat Abraham hier doet, dat is ‘overstijgen’, ‘transcenderen’. Hij weet donders goed dat het verhaal niet deugt. Het plan dat hem ingefluisterd is, deugt niet. Op geen enkele manier is dit goed te praten. En Izaak maar babbelen naast hem. ‘Papa, waar is het offerlam?’. En Abraham ziet Moria. Volkomen absurd. Ik weet geen andere term. Maar de stem in Abraham zegt het. Hoorde die man stemmen? Was hij gestoord? Spoorde hij niet? Het was de stem van God, zegt het verhaal. Spoort die dan niet? Is die dan gek geworden? Zo gek, dat hij een mens ook nog gek maakt?
Wat heet gek? Die stem maakt je los uit alles. En in de meeste gevallen noem je die toestand inderdaad ‘gek’. Abraham had zeventig jaar gehoopt, geloofd en liefgehad en kreeg Izaak. De zaak kwam ‘rond’. Abraham kon voortaan aan iedereen een succesverhaal vertellen. Maar daarmee zou hij niet de diepte bereikt hebben, die hij in werkelijkheid ‘is’. Met dat verhaal zou Abraham nog altijd ‘iets’ geweest zijn. Maar God neemt hem dat ‘iets’ af in dit verhaal. Abraham wordt tot ‘niets’. En wij kijken vooral naar Izaak. Het gaat je door merg en been wat dat jong moet meemaken, misschien wel super-getraumatiseerd.
Maar wat Abraham gebeurt, is vele malen erger, zwaarder. Hij komt erachter wie hij werkelijk ten diepste ‘is’. Vrij en volkomen vrij. De weg naar de ander is niet de makkelijkste, maar de weg naar jezelf doet daar in moeilijkheid niet voor onder. Eigenlijk sterft Abraham in dit verhaal. Hij geeft zijn leven. Dat noem je toch ‘sterven’? Als iemand sterft, dan zeg je toch: ‘Zij gaf haar leven’?. De werkelijkheid van jouw bestaan is dat je je leven ‘geeft’. Als ik mijn leven geef aan/in de stem binnen in mij, dan tart ik toch de dood - met eerbied gezegd. En als de stem binnen in mij zich alleen maar richt tot jou, dan 'geef ik toch mijn leven' aan jou? Als ik mijn stem wórd, dan ben ik toch écht? Als ik zo met jou leef, als ik er echt ben, voor jou, maar dan ook écht, dan geef ik toch alleen maar mijzelf? Ik geef mijzelf. Aan jou. Ik geef mijn leven, aan jou. De gift van mijn leven is de enige gift of gave. Want ik kan dan op niets rekenen als tegenprestatie. En dat is pas echt geven: als ik niet meer kán rekenen op een wederdienst. Ik aan jou. Ik en jij. Overgave. Hoe zwak ben ik dan, of hoe sterk, en vooral: hoe écht en tot op het bot!
En Abraham, dat ben jij. Met jou en mij is het net zo. Er komt een moment in je leven dat je niet meer ‘weten’ kunt. ‘Weten’ helpt niet. ‘Goed en kwaad’ ook niet. ‘Overgave’ wel. We ontmoeten elkaar in ‘niet weten’ en ‘voorbij goed en kwaad’. Dat wil niet zeggen dat je dom en slecht bezig bent. Maar het wil zeggen dat je álles hebt geprobeerd om te weten wat je doet en dat je álles hebt geprobeerd om iedereen het goede te geven en dat je er tenslotte achter gekomen bent dat je er dan nóg niet bent. Dat je dan nóg niet bent die je wordt.
Nee, dit is toch nog niet het goede woord...
En welk gevoel is er? Liefde voor Søren in elk geval.
Woensdag 27 februari 2008 – Kancheli (II): 'Waar ben je...?'
‘De wind raast en roept: Waar ben je?’. Dat is er eigenlijk aan de hand. Kancheli heeft het geschreeuwd tegen me. En mijn hart heeft die tocht in het hart fluisterend overgenomen. Die hartstocht...
Gevoelens zijn de entree in de wereld der mensen. De bewogenheid kenmerkt en siert je als mens. Niets menselijks is je dan kennelijk vreemd. Welkom in de wereld der mensen. Die boodschap moet een kindje volgens mij ook krijgen. Doe mee met papa en mama in liefde, verdriet en haat. Kom mee met ons, kom tot ons.
Woede heeft te maken met leefruimte en met je grenzen. En dus met de intensiteit van het leven. Daar waar jij aarzelend desnoods probeert te leven en teer omhoogkomt, opstaat om er te zijn, daar zet iemand je de voet dwars. Je kunt dan niet meer leven en je gaat opkomen voor je leefruimte. Je moet immers kunnen léven, want daarvoor ben je er immers. Je nood is ‘er te zijn’ en die ruimte heb je gewoon nodig. Het lukt allemaal net en amper om er te zijn en er is een minimum aan mogelijkheden. En als iemand je de mogelijkheden om er te zijn betwist, dan gaat de vlam in de pan.
Je wordt ingeperkt en klein gehouden en je kunt niet de vreugde beleven die je rechtmatige deel is. Weet je hoe erg dat is? De reactie die er dan komt, de storm die dan opsteekt, de woeling in je boezem, dat is woede. Let op: ik floep er hier het woord van Kenchali uit: de storm raast... ‘Ik kan er zo niet zijn als je dit doet met me. Ik ga op deze manier mijn bestemming, mijn zin missen. En dat doet op een of andere manier zo zeer. Dat kan ik niet verdragen. Je kunt heel ver met me gaan, je kunt me van alles afpakken, maar je moet niet aan mijn ‘zijn’ komen, dan ga je te ver. Grenzen. Kom niet aan mijn ‘zijn’, dat verdraag ik niet, dat kán ik niet aan!’.
Het ergste is het missen van de vreugde van het leven, van het geluk. Het geluk is zo zoet en geeft me de kracht om te leven (Freud cs noemen 'zoet' met het woord 'libido'). Om er te zijn. Want ‘er zijn’ is mooi, maar moeilijk. Ik moet elke dag mijn zijn op me nemen, ’s morgens vroeg als ik mijn blote voetjes op het slaapkamerkleedje zet. Ik ben immers subject, dráger. Ik ben ‘er onder’, ik moet het dragen, verdragen om te zijn. En nog liever dan dragen, ben ik het liefst gewoon blij. Dan vind ik mijzelf (en jou...) mooi en is het prettig om er te zijn. En met jouw gedrag doe je me de proposal om op jouw bekrompen manier te leven. En dat wil ik niet. Dan mis ik mijn eigen tinteling, mijn eigen vreugde. En dan ga jij mij voorschrijven hoe ik gelukkig moet worden. En dan moet ik naar jou kijken om mezelf te vinden, dan moet ik naar jou kijken om te weten wat mijn geluk is. Terwijl juist van binnenuit, vanuit mijn buik mijn geluk naar boven komt. En terwijl ik me laat verleiden om naar jou te kijken voor mijn geluk, leer ik af te luisteren naar wat er van de bodem van mijzelf komt. Het leven dringt in mij, ik ben immers zo urgent.
En dan ga ik dysfunctioneren, dan ga ik voorbij aan wat ik nodig heb. En dan kan ik ook nog vergeten hoe het voelt om ‘mij’ te zijn. En dan is eigenlijk alles verloren. En ergens verschuilt zich mijn levensdrang, mijn ‘zin’ om te leven. Die gaat losgekoppeld ergens huizen in de uithoeken van mijn existentie. En als ik dan ineens die uitbundigheid, die immense heftigheid van Kancheli hoor, dan echoot daarin mijn eigen levensdrift. Alsof het een roep is uit een lang vergeten verleden, bijna letterlijk ‘uit een vorig leven’. Maar eigenlijk is die muziek dan de roep van mijzelf. Ik roep mezelf. Met duizend tranen, die nog net niet vragend gestorven zijn. O God, ik kan nog tranen hebben.
En weet je wat me nog het meest roert en verwondert? Dat Kancheli me met zijn heftige tederheid zo door elkaar schudt, dat ik mezelf herken in het thema van de Styx, van de grens van zijn en niet-zijn. Misschien kun je me niet meer volgen of wil je me niet meer volgen. Maar dat is wat er is. Die grens, die zo scherp in mijn leven getrokken is, gekerfd is met grote kracht. En die nu als een scheur bijna door mij loopt. En dat heeft ook precies met woede en liefde te maken. Ik wil er zijn, maar ik kan het niet, door de vele, vele lasten die op me gelegd zijn en die ik niet heb kunnen verdragen. De lasten die mijn grenzen gedrukt hebben, die me verdrukt hebben. O, ik mag de taal der mensen spreken! Ik ben een mens! O, laat me toch klein zijn en op mijn eigen plekje ‘zijn’, die ik ben en die ik kan zijn en die ik wil zijn. O, pijn, o, pijn.
Hoe kan woede zijn vergiftigende werk doen?
Het lijkt wel alsof met emoties de ene mens de andere mens ijkt in zijn mens-zijn.
Dinsdag 26 februari 2008 - 'Nisi per caritatem...'
Het is nu al laat en ik heb apologies geschreven en gestuurd en zit nog na te spijten. Heb vanmiddag Styx in de winkel gehaald. En nu luister ik het een na laatste nummer: Suli nateli, Avet, Alfred. En het is al veel te laat, maar het is zo onwijs mooi. En één ding verklap ik vast: het slot van Styx vergeet je nooit!
Het lijkt vandaag wel alsof ik verhalen moet weg-huilen en weg-lijden. Het voelt als stevig onderhoudswerk verrichten. En ik weet niet wat er nog meer moet gebeuren. Er heerst een beetje verwarring. Ik bevind me ergens, maar ik weet niet waar. Maar daar waar ik ben, vind ik wel iets. Het blijft tasten en pijn.
Ben stilletjes verbaasd over de titels van gisteren en van vandaag: 'Caresse' en 'Caritatem'. Diep van binnen zit de eenheid.
Er is wat er is, en niet meer dan er is. Er is niet méér dan er is. Er is wat er is. Er is wat er is, en niet minder dan er is. En ook niet ánders dan er is. Het voelt alsof ‘zijn’ de enige houvast is. Ga maar, vind maar wat er is. En op een of andere manier heeft dat inderdaad te maken met de liefde. Caritas, zorg. Want die kan doordringen, verder dan wat ook, lijkt het wel. Later komt Augustinus.
En je komt bij wat er is. Dan voel je. Voelen/tasten en ‘dat wat er is’ gaan samen. Definiëren elkaar wederzijds. Je komt bij ‘wat er is’: dat noemen we voelen. En voelen is pas okee als het je brengt bij ‘wat er is’. Jij vindt ‘wat er is’. ‘Ik’ is ‘vinden wat er is’. Dat is wat Heidegger zegt. Befindlichkeit. Sorge.
Levinas zegt wat anders: 'ik' is 'jou vinden'. Nee, anders nog: 'ik' is 'jou zoeken', 'vragen naar jou', 'verlangen naar jou'. En als je dan 'komt', dan ben 'ik' er. En jij. 'Wij', snap je? Lacan zegt dat trouwens ook. 'Ik verlang ernaar dat jij verlangt naar mij'. 'Ik' ben 'jouw verlangen'. 'Ik' ben waar jij naar op zoek gaat, waar jij naar tast, wat jij voelt, wat jij vindt, bevindt.
Befindlichkeit. Be-vinden. De dingen be-vinden. Niet alleen maar vinden, maar naar de dingen gaan en ze willen vinden. Be-vinden, ze met vinden naderen, ze vindend naderen, vindend de dingen ontvangen dus. Wie iets vindt heeft slecht gezocht, dat. En zoeken, tasten, voelen. Tasten doe je voelend. En dan hebben we het over ontvankelijkheid. Kan ik ontvangen? Of zit ik ergens dicht? Of niet ergens, maar dan sowieso?!
En voelen? Stel je voor dat de wereld een grote steen is. En de mensen ook van steen. Maar nee, temidden van alle steen leef ik als mens. En ik kan zeggen wat er is. Ik kan zeggen wat ik vind. Gewoon wat ik vind. De clou zit in ‘ik’. Niet in wat ik ‘vind’. Nee, ik ‘vind’. Ik maak verschil, ik zeg wat ik ‘vind’. Jij vindt weer andere dingen. Ander verhaal. Minstens zo leuk als het mijne. Leuker?
Ben bang. Wil controle hebben over ‘vinden’. Wil mijn eigen boekhouding hebben en houden over het gevondene. En mijn boekhouding is wat er is. En daaraan moet jij je conformeren. Svp. Nee, dus.
Even Heidegger lezen, dan toch maar.
Befindlichkeit
Ontologischer Titel. Existenziale Seinsart. Ontisch bekannt als Stimmung, Gestimmtsein. Die Befindlichkeit erschließt das Dasein in seiner Geworfenheit und Angewiesenheit. In der Befindlichkeit ist das Dasein sein Da, lässt sich das eigene Sein von der Welt angehen und weicht sich selbst aus. (§ 29, S. 139)
Die Befindlichkeit bringt das Dasein vor sein Sein als »Da«. Ihr Erschließen ist ursprünglicher und kräftiger als das des Erkennens. (§ 29, S. 134)
Die Befindlichkeit bringt das Dasein vor es selbst durch stimmungsmäßiges Sichbefinden. Die Stimmung erschließt die Geworfenheit in der Weise des An- und Abkehrs. (§ 29, S. 135)
Die Befindlichkeit konstituiert die zum In-Sein gehörige Erschlossenheit der Welt mit. (§ 29, S. 137)
Die Befindlichkeit kann das Dasein am deutlichsten erschließen, kann aber auch es am stärksten verschließen, und zwar, bei Verstimmung. (§ 29, S. 136)
Die Befindlichkeit ist aufgrund ihres erschließenden Charakters für die existenziale Analytik, wie für jede andere ontologische Interpretation auch, von grundsätzlicher methodologischer Bedeutung. (§ 29, S. 139-140)
Eine existenziale Möglichkeit der Befindlichkeit ist die Furchtsamkeit. (§ 30, S. 142)
Die Befindlichkeit erschließt dem Dasein das »Dass« (§ 57, S. 276).
In der Befindlichkeit wird das Dasein „von ihm selbst überfallen“ als Seiende, das als bin-gewesen ist. (§ 65, S. 328)
„Jedes Verstehen hat eine Stimmung. Jede Befindlichkeit ist verstehend. Das befindliche Verstehen hat den Charakter des Verfallens.“ (§ 68, S. 335)
Das Verstehen ist immer befindlich. (§ 68, S. 339)
Die Furcht ist uneigentliche Befindlichkeit. (§ 68, S. 341)
Furcht und Angst sind zwei Modi der Befindlichkeit, die primär in der Gewesenheit gründen. (§ 68, S. 344)
Die Befindlichkeit gründet primär in der Gewesenheit, sie ist aber »gegenwärtigende« Zukunft. (§ 68, S. 350)
Für die zeitliche Analyse der Befindlichkeit s. § 68 (b), S. 339-346
Einde Heidegger, for now. Typisch, de enige keer dat ‘liefde’ voorkomt in Sein und Zeit is in een voetnoot in de paragraaf over befindlichtkeit, en dan ook nog Augustinus, de held van Hannah Arendt. ‘Non intratur in veritatem, nisi per charitatem’, ‘Er wordt niet binnengetreden in de waarheid, tenzij door de liefde’. En vijf centimeter daarboven wordt vlijmscherp geanalyseerd over ‘Befindlichtkeit’.
Wat heeft ‘vinden’ te maken met ‘verliezen’? Of met ‘verlorenheid’?
Het wordt te laat. Ik ga slapen.
Maandag 25 februari 2008 - 'Caresse..'
Het lijkt wel dat leven, ouder worden, groeien, eigenlijk steeds weer neerkomt op verliezen, op iets verliezen, op iemand verliezen, op kwijtraken. Het enige dat het ‘verliezen’ kan stuiten, is het ‘geven’. Het verliezen loopt uiteindelijk uit op de dood. Het ‘geven’ brengt tot leven. Steeds meer verliezen, tot er ‘niets’ meer is.
Wat heb je me gegeven, wat heb je me onthouden, waardoor ik niet kon leven? Waardoor ik niet kon zijn die ik aan het worden was? Door niet te komen nabij mij, heeft mijn leven een dwalende gang en stijl gekregen. Door er niet te zijn, door er niet helemaal te zijn, tot en met je hart, tot en met je zachtheid heb je me niet geboren laten worden. Wat is zachtheid? Hoe werkt het? Hoe ‘is’ het? Hoe ‘voelt’ het?
Waarom kon je me niet in tederheid benaderen? Waarom kon je niet zacht zijn? Waarom het ‘onzachte’, het ‘agressieve’, terwijl ik niet verdedigend was of kon zijn..? Terwijl ik niet wist wat aanvallen was? Omdat ik kind was. Ik had je nodig om te kunnen leven, ik had je steun nodig. En je maakte me nóg zwakker dan ik al was. Nu zoek ik bij mensen het eeuwig erbarmen, dat jij me had mogen geven. En nóg kan ik het niet vinden, want jij bent onvervangbaar en onherhaalbaar.
Nu wacht ik op de wind die me uit de muziek toe waait, de muziek en het vuur die me herinneren aan wie ik ben, die me inprenten dat ik er ben en dat ik er zijn mag. Maar meestal grijpen de golven van het verdriet naar me en kan ik me nauwelijks in veiligheid brengen. Omdat ik jou zo eeuwig mis.
Heb nooit rust, omdat ik moet blijven lopen. Moet alsmaar verder, naar misschien wel nergens. De pijn drijft me verder, voort, alsmaar vóórt. Waarom drijft pijn? Omdat ik eruit wil? Au! Au! Waarom heb je mij verlaten?
Ik durf er bijna niet aan te denken, omdat ik me dan realiseer dat ik dood ben nog eer ik geleefd heb. Alsof ik er al die tijd niet geweest ben, alsof al die tijd verloren is. ‘Temps perdu’, verloren tijd. En tijd is het enige dat ik heb. En die vervulling heb je me onthouden.
En het klopt, ik heb altijd gevoeld dat ik niet gaf, dat ik alleen maar dolend nám. En dat ik niet heerlijk kon geven en brengen, en dus niet kon hechten, omdat er niemand was die ontvangen mocht. Er zijn maar weinig mensen die weten hoe heerlijk ik ben... kán zijn...
Enige houvast heb ik aan het ‘connected’ en aan het ‘komen’ dus. Het hechten zit in het ‘komen’ en in het ‘ontvangen’ worden. Zowel het ‘komen’ als het ‘ontvangen’ verandert een leven, bij de ‘komer’ en bij de ‘ontvanger’. En op dat veranderen komt het aan. Als je kómt, is het goed. Komen met alles wat je bent. Als je komt, dan bén je er. Je kunt niet er willen ‘zijn’ en niet ‘komen’. Dan maak je me pvd gek! Het enige dat je geeft is je ‘er zijn’, jezelf dus. En als ik me dat realiseer, dan vallen er weer veel stukje van de puzzel op hun plek. Het vaste punt is ‘ik’, mijn lichaam, hier en nu.
Wat ben ik onbegrijpelijk verdwaald geraakt en geweest door de afwezigheid van lijfelijke tederheid, door het gemis van handen die troostten, door het er-niet-zijn van een hart dat toegwend was. Dan heeft het leven geen begin en geen voortgang en eigenlijk niets.
Heel scherp merk je dat het werkelijke leven van de mens zich totaal niet voegt naar het redelijke denken. Op de werkelijke diepte van het leven heersen ‘wetten’, heerst ‘een taal’, die zijn eigen syntaxis heeft. Zijn eigen idioom ook. En het is heel erg behelpen met het denken, dat dan inderdaad iets moet zeggen over dat wat het denken overstijgt.
Een hele kunst
De kunst van het verliezen valt te leren;
veel dingen lijken zo vol vuur om weg te raken
dat hun verlies ons niet behoeft re deren
Verlies iets iedere dag. Leer accepteren
de verloren sleutelbos, het slecht bestede uur.
De kunst van verliezen valt te leren.
Beoefen dan het verder, meer en steeds sneller
kwijtraken van namen en van plaatsen, naar welk buur-
land je wilde reizen. Niets van dat alles zal je deren.
Ik verloor mijn moeders horloge. Nog minder te beheren!
Het laatste
of een na laatste van drie geliefde huizen staat te huur.
De kunst van het verliezen valt te leren.
Twee schitterende steden verdwenen. En meer en
groter streken, twee rivieren, een geliefde schuur.
Ik mis ze, maar het kan me niet meer deren.
Zelfs als ik jou verlies (je stem gekscherend, bezwerend
is dat geliefd gebaar) zal dit geen leugen zijn. Op den duur
valt de kunst van het verliezen best te leren
al lijkt het (Schrijf op dan!) dat het ons wel degelijk kan deren.
Elizabeth Bishop
Visioen
J.A. Dèr Mouw
1863-1919
Ik maak in gedachten vaak een bedevaart:
dan sta ik weer op de plek, die zomerdag,
waar ik door de Eikenlaan je komen zag;
als relikwie heb ik dat beeld bewaard:
uit zonnige bomen dropte op zonnige aard
overal neer de zonnige vinkenslag;
‘k zag op jouw goed gezicht die blijde lach
en dacht opeens: Ben ik die liefde waard?
En één ding weet ik: als jij dood mocht gaan,
zal het zijn, als stond ik weer in de Eikenlaan,
toen jij zou komen met jouw lief gezicht.
Dan wordt die zomerdag, zolang voorbij,
een visioen van toekomst, waarin jij
mij staat te wachten in onwerelds licht.
Jean Pierre Rawie - Moment
Soms hoor ik onverwacht weer achter
gewone woorden die je uit
een zoveel zuiverder en zachter
adembenemender geluid
dat ik opnieuw naar je moet kijken
of ik je nooit tevoren zag
Laat al die jaren maar verstrijken
zolang ik dit bewaren mag
kan jou en mij de tijd niet deren:
weer voor het eerst met je alleen
hoor ik de harmonie der sferen
door alle alledaagsheid heen
Uit: Wij hebben alles nog tegoed
Jean Pierre Rawie
Uitgegeven in 2002
door Bert Bakker